De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

EEN ALGEMEEN SOCIOLOOG OVER GODSDIENSTIGE VERSCHIJNSELEN ALS AANWIJZINGEN VOOR COHESIE Wout Ultee Sectie Sociologie Radboud Universiteit Nijmegen 25-1-2006.

Verwante presentaties


Presentatie over: "EEN ALGEMEEN SOCIOLOOG OVER GODSDIENSTIGE VERSCHIJNSELEN ALS AANWIJZINGEN VOOR COHESIE Wout Ultee Sectie Sociologie Radboud Universiteit Nijmegen 25-1-2006."— Transcript van de presentatie:

1 EEN ALGEMEEN SOCIOLOOG OVER GODSDIENSTIGE VERSCHIJNSELEN ALS AANWIJZINGEN VOOR COHESIE Wout Ultee Sectie Sociologie Radboud Universiteit Nijmegen

2 Ondanks ‘de jaren zestig’ Zijn sociologen hedentendage Nog steeds ‘waardenvrij’ in de zin van Max Weber. Sociologen oordelen niet over godsdiensten, Sociologen bestuderen godsdiensten. Dat geldt in elk geval voor mij, De medewerkers van de Nijmeegse sectie sociologie, De Nijmeegse opleiding sociologie.

3 Wanneer ik in het vervolg soms ‘ik’ zeg, Bedoel ik een enkele maal ‘we’. En met ‘we’ bedoel ik de mensen waarmee ik heb samengewerkt: Osmund Schreuder, destijds hoogleraar godsdienst sociologie, Nan-Dirk de Graaf, nu hoogleraar godsdienstsociologie Nijmegen, Ariana Need, hoofddocent sociologie Nijmegen, Ruud Luijkx, docent sociologie te Tilburg, John Hendrickx, Marnix Croes, Peter Tammes, eens promovendi, Annika Smits, Frank van Tubergen en Ellen Webbink, eens doctoraal studenten.

4 Betoog dat uit drie stukken bestaat: Een stuk over sociologie in het algemeen: de hoofdsvragen van sociologie en haar algemene theorieën, Een stuk over wat ik aan godsdienstsociologie heb gedaan, Een stuk over wat ik nu aan godsdienstsociologie doe en de richtingen waarin de grote vragen van de godsdienstsociologie zich ontwikkelen.

5

6 HET ONDERZOEKSINSTRUMENTARIUM VAN SOCIOLOGEN: ENQUÊTEREN MET VASTE VRAGENLIJSTEN VOL VOORGEGEVEN ANTWOORDMOGELIJKHEDEN ONDER ASELECTE STEEKPROEVEN UIT DE BEVOLKING VAN EEN LAND.

7 Dat deed en doe ik, maar ik heb ook:

8 * Met FSW-geld levenslopen van aselecte personen verzameld

9 Dat deed en doe ik, maar ik heb ook: * Met FSW-geld levenslopen van aselecte personen verzameld * die gecombineerd met CBS-gegevens over hun woonplaats

10 Dat deed en doe ik, maar ik heb ook: * Met FSW-geld levenslopen van aselecte personen verzameld * die gecombineerd met CBS-gegevens over hun woonplaats * ambtelijk-statistische tijdreeksen geanalyseerd

11 Dat deed en doe ik, maar ik heb ook: * Met FSW-geld levenslopen van aselecte personen verzameld * die gecombineerd met CBS-gegevens over hun woonplaats * ambtelijk-statistische tijdreeksen geanalyseerd * vooroorlogse reisgidsen doorgewerkt om aan het aantal synagogen in een plaats te komen en hun stoelental

12 Dat deed en doe ik, maar ik heb ook: * Met FSW-geld levenslopen van aselecte personen verzameld * die gecombineerd met CBS-gegevens over hun woonplaats * ambtelijk-statistische tijdreeksen geanalyseerd * vooroorlogse reisgidsen doorgewerkt om aan het aantal synagogen in een plaats te komen en hun stoelental * vrijere gesprekken gevoerd met ?selecte? bejaarden

13 Dat deed en doe ik, maar ik heb ook: * Met FSW-geld levenslopen van aselecte personen verzameld * die gecombineerd met CBS-gegevens over hun woonplaats * ambtelijk-statistische tijdreeksen geanalyseerd * vooroorlogse reisgidsen doorgewerkt om aan het aantal synagogen in een plaats te komen en hun stoelental * vrijere gesprekken gevoerd met ?selecte? bejaarden * in het CBS-archief telkaarten (geen steekproef) geturfd

14 Dat deed en doe ik, maar ik heb ook: * Met FSW-geld levenslopen van aselecte personen verzameld * die gecombineerd met CBS-gegevens over hun woonplaats * ambtelijk-statistische tijdreeksen geanalyseerd * vooroorlogse reisgidsen doorgewerkt om aan het aantal synagogen in een plaats te komen en hun stoelental * vrijere gesprekken gevoerd met ?selecte? bejaarden * in het CBS-archief telkaarten (geen steekproef) geturfd * lijsten uit gemeente-archieven met namen van inwoners van een stad in 1941 vergeleken met dodenlijsten uit 1945

15 Dat deed en doe ik, maar ik heb ook: * Met FSW-geld levenslopen van aselecte personen verzameld * die gecombineerd met CBS-gegevens over hun woonplaats * ambtelijk-statistische tijdreeksen geanalyseerd * vooroorlogse reisgidsen doorgewerkt om aan het aantal synagogen in een plaats te komen en hun stoelental * vrijere gesprekken gevoerd met ?selecte? bejaarden * in het CBS-archief telkaarten (geen steekproef) geturfd * lijsten uit gemeente-archieven met namen van inwoners van een stad in 1941 vergeleken met dodenlijsten uit 1945 *in het Nationaal Archief persoonsrapporten doorgewerkt.

16 DE THEORETISCHE BAGAGE VAN SOCIOLOGEN: DE DIKKE BOEKEN VAN KLASSIEKEN DIE ALTIJD ACTUEEL BLIJVEN.

17 Ik ken mijn klassieken en hedendaagsen goed, maar ik heb er algemene hypothesen uitgehaald, en melk die uit.

18 Webers wereldbeeldenhypothese:

19 Ik ken mijn klassieken en hedendaagsen goed, maar ik heb er algemene hypothesen uitgehaald, en melk die uit. Webers wereldbeeldenhypothese: Hoe activistischer het in een godsdienst ingebakken wereldbeeld, des te groter is de kans dat een aanhanger van die godsdienst de mogelijkheden benut die de wetten van een land bieden.

20 Ik ken mijn klassieken en hedendaagsen goed, maar ik heb er algemene hypothesen uitgehaald, en melk die uit. Webers wereldbeeldenhypothese: Hoe activistischer het in een godsdienst vervatte wereldbeeld, des te groter is de kans dat een aanhanger van die godsdienst de mogelijkheden benut die de wetten van een land bieden. Durkheims integratiehypothese:

21 Ik ken mijn klassieken en hedendaagsen goed, maar ik heb er algemene hypothesen uitgehaald, en melk die uit. Webers wereldbeeldenhypothese: Hoe activistischer het in een godsdienst vervatte wereldbeeld, des te groter is de kans dat een aanhanger van die godsdienst de mogelijkheden benut die de wetten van een land bieden. Durkheims integratiehypothese: Hoe hechter de banden die mensen hebben met welke intermediaire groep van een samenleving dan ook (gezin, kerk, school, bedrijf) des te groter de kans dat ze de normen van die groepen (onverschillig welke norm en niet alleen een norm die zelfdoding afkeurt) naleven.

22 GEEN VRAAG ZO GEK OVER INDIVIDU EN MAATSCHAPPIJ, OF ER IS WEL EEN SOCIOLOOG DIE ER WAT OVER TE ZEGGEN HEEFT.

23 Sociologie gaat niet over individuen, maar over samenlevingen en ze heeft drie hoofdvragen:

24 ONGELIJKHEID, COHESIE, RATIONALISERING

25 Sociologie gaat niet over individuen, maar over samenlevingen en ze heeft drie hoofdvragen: ONGELIJKHEID, COHESIE, RATIONALISERING Gaat in een samenleving formele gelijkstelling van mensen altijd gepaard met afnemende materiële ongelijkheid tussen hen? Millar

26 Sociologie gaat niet over individuen, maar over samenlevingen en ze heeft drie hoofdvragen: ONGELIJKHEID, COHESIE, RATIONALISERING Gaat in een samenleving formele gelijkstelling van mensen altijd gepaard met afnemende materiële ongelijkheid tussen hen? Millar In hoeverre scheppen riten banden tussen mensen, onder welke omstandigheden leidt arbeidsdeling niet tot klassenstrijd, waarom gaat een stijgende levensstandaard soms gepaard met meer zelfdoding en andere vormen van geringe cohesie? Durkheim

27 Sociologie gaat niet over individuen, maar over samenlevingen en ze heeft drie hoofdvragen: ONGELIJKHEID, COHESIE, RATIONALISERING Gaat fin een samenleving formele gelijkstelling van mensen altijd gepaard met afnemende materiële ongelijkheid tussen hen? Millar In hoeverre scheppen riten banden tussen mensen, onder welke omstandigheden leidt arbeidsdeling niet tot klassenstrijd, waarom gaat een stijgende levensstandaard soms gepaard met meer zelfdoding en andere vormen van geringe cohesie? Durkheim Waarom zijn in Westerse landen rationaliseringsprocessen verder voortgeschreden dan in andere delen van de wereld? Weber

28 De theorieën waarmee sociologen die vragen beantwoorden gaan over individuen.

29 Gezien het evolutionisme is het beter te zeggen dat ze over POPULATIES gaan.

30 De theorieën waarmee sociologen die vragen beantwoorden gaan over individuen. Gezien het evolutionisme is het beter te zeggen dat ze over POPULATIES gaan. De theorieën van de sociologie gaan daarnaast echter ook over bijzondere POPULATIEKENMERKEN:

31 De theorieën waarmee sociologen die vragen beantwoorden gaan over individuen. Gezien het evolutionisme is het beter te zeggen dat ze over POPULATIES gaan. De theorieën van de sociologie gaan daarnaast echter ook over bijzondere POPULATIEKENMERKEN: * gemeenschappen die individuen goedkeuring onthouden,

32 De theorieën waarmee sociologen die vragen beantwoorden gaan over individuen. Gezien het evolutionisme is het beter te zeggen dat ze over POPULATIES gaan. De theorieën van de sociologie gaan daarnaast echter ook over bijzondere POPULATIEKENMERKEN: * gemeenschappen die individuen goedkeuring onthouden, * staten die individuen van bewegingsvrijheid beroven en belasting opleggen,

33 De theorieën waarmee sociologen die vragen beantwoorden gaan over individuen. Gezien het evolutionisme is het beter te zeggen dat ze over POPULATIES gaan. De theorieën van de sociologie gaan daarnaast echter ook over bijzondere POPULATIEKENMERKEN: * gemeenschappen die individuen goedkeuring onthouden, * staten die individuen van bewegingsvrijheid beroven en belasting opleggen, * markten die individueel handelen geldelijk of materieel afstraffen.

34 Nu in sociologie ‘strijd’ tussen microsociologie en macrosociologie Wat vragen betreft ben ik een macrosocioloog, Wat theorieën betreft ben ik een multiniveau socioloog.

35 Webers wereldbeeldenhypothese is vruchtbaar omdat ze geconcretiseerd is met een opsomming van wereldbeelden die in godsdienstige gemeenschappen opgang maken:

36 - de mens kan de wereld beheren, - de mens kans zich aan de wereld aanpassen, - de mens is onderdeel van een zichzelf herhalende wereld.

37 Webers wereldbeeldenhypothese is vruchtbaar omdat ze geconcretiseerd is met een opsomming van wereldbeelden die in godsdienstige gemeenschappen opgang maken: - de mens kan de wereld beheren, - de mens kans zich aan de wereld aanpassen, - de mens is onderdeel van een zichzelf herhalende wereld. 20e eeuwse wereldbeelden: - de samenleving is maakbaar - de mens kan de wereld meester worden.

38 De Durkheimiaanse stelling dat een samenleving een structuur en een cultuur heeft, acht ik minder vruchtbaar.

39 Een cultuur omvat behalve waarden en normen ook wereldbeelden.

40 De Durkheimiaanse stelling dat een samenleving een structuur en een cultuur heeft, acht ik minder vruchtbaar. Een cultuur omvat behalve waarden en normen ook wereldbeelden. Er moeten hypothesen komen die gaan over het gezamenlijke effect van de structuur en de cultuur van een samenleving.

41 Durkheims herformulering van de vraag naar het ontstaan van godsdiensten gaat niet ver genoeg.

42 De vraag moet niet gaan over elementaire vormen van godsdienstig leven,

43 Durkheims herformulering van de vraag naar het ontstaan van godsdiensten gaat niet ver genoeg, De vraag moet niet gaan over elementaire vormen van godsdienstig leven, maar over godsdiensten in de technologisch minst ontwikkelde samenlevingen.

44 Durkheims herformulering van de vraag naar het ontstaan van godsdiensten gaat niet ver genoeg, De vraag moet niet gaan over elementaire vormen van godsdienstig leven, maar over godsdiensten in de technologisch minst ontwikkelde samenlevingen. Naast die vraag staat de vraag hoe godsdienstig leven met de technische vooruitgang veranderde,

45 Durkheims herformulering van de vraag naar het ontstaan van godsdiensten gaat niet ver genoeg, De vraag moet niet gaan over elementaire vormen van godsdienstig leven, maar over godsdiensten in de technologisch minst ontwikkelde samenlevingen. Naast die vraag staat de vraag hoe godsdienstig leven met de technische vooruitgang veranderde, evenals de vraag hoe behalve de riten en de voorstellingen, de godsdienstige organisatie zich ontwikkelde.

46 Durkheim verstopte in zijn definitie van godsdienst de vruchtbare hypothese dat riten de betrokkenen voorstellingen inprenten. Omdat het meedoen aan riten een vorm van integratie in een groep is, en voorstellingen normen kunnen zijn, valt deze hypothese van de oude Durkheim wellicht uit de integratiehypothese van de jonge Durkheim af te leiden.

47 De ten onrechte aan Weber toegeschreven hypothese dat de mens van nature een zingevend wezen is, acht ik weinig vruchtbaar.

48 Deze hypothese is een restbestand van de hypothese dat de mens als enig dier een geest heeft en met godsdienst is begiftigd.

49 De ten onrechte aan Weber toegeschreven hypothese dat de mens van nature een zingevend wezen is, acht ik weinig vruchtbaar. Deze hypothese is een restbestand van de hypothese dat de mens als enig dier een geest heeft en met godsdienst is begiftigd. De zingevinghypothese zegt te weinig om de veelheid aan godsdiensten te kunnen verklaren.

50 De ten onrechte aan Weber toegeschreven hypothese dat de mens van nature een zingevend wezen is, acht ik weinig vruchtbaar. Deze hypothese is een restbestand van de hypothese dat de mens als enig dier een geest heeft en met godsdienst is begiftigd. De zingevinghypothese zegt te weinig om de veelheid aan godsdiensten te kunnen verklaren. De zingevinghypothese vormt een afweer tegen het binnendringen van evolutionistische vragen en theorieën binnen godsdienstwetenschap en sociologie.

51 De veronderstelling van de econoom Adam Smith dat individuen rationeel denken en handelen acht ik voor de bestudering van godsdienstige verschijnselen ook minder vruchtbaar.

52 Mensen redeneren niet altijd syllogistisch, maar denken vaak in analogieën.

53 De wereldbeelden die Weber identificeerde zijn verkregen door analogieredeneringen:

54 De mens kan de wereld beheren ALS een rentmeester

55 De wereldbeelden die Weber identificeerde zijn verkregen door analogieredeneringen: De mens kan de wereld beheren ALS een rentmeester De mens past in de wereld ALS een orgaan in een lichaam

56 De wereldbeelden die Weber identificeerde zijn verkregen door analogieredeneringen: De mens kan de wereld beheren ALS een rentmeester De mens past in de wereld ALS een orgaan in een lichaam De verhouding tussen mens en wereld kan zo harmonisch zijn ALS die tussen tonen in muziek

57 De wereldbeelden die Weber identificeerde zijn verkregen door analogieredeneringen: De mens kan de wereld beheren ALS een rentmeester De mens past in de wereld ALS een orgaan in een lichaam De verhouding tussen mens en wereld kan zo harmonisch zijn ALS die tussen tonen in muziek De wereld is ALS een om zichzelf draaiend rad.

58

59 Ik ben socioloog. Ik heb geen leeropdracht godsdienstsociologie. Dat is trouwens een misleidende aanduiding omdat een belangrijke vraag is waarom er zoveel verschillende godsdiensten zijn.

60 Ik ben socioloog. Ik heb geen leeropdracht godsdienstsociologie. Dat is trouwens een misleidende aanduiding omdat een belangrijke vraag is waarom er zoveel verschillende godsdiensten zijn. Ik ben een algemeen socioloog. Uit co-auteurschappen blijkt bij mij geen interdisciplinariteit. Ik ben vaak in andere bibliotheken te vinden, wat blijkt uit de artikelen en boeken die ik aanhaal.

61 Mijn werk is interdisciplinair omdat het uitdrukkelijk uitgaat van vruchtbaar gebleken wetenschapstheoretische inzichten: Het kritisch rationalisme van Popper, Lakatos en Albert. Dat kritisch rationalisme overstijgt de twist over het primaat van theorie of van onderzoek. Het doet dat met de stelling dat wetenschap met problemen begint, waarbij tegenspraken tussen theorieën en onderzoeksbevindingen problemen zijn.

62 Zonder vergaande wetenschapstheoretische overeenstemming, heeft interdisciplinair onderzoek weinig zin.

63 Kritisch rationalisme: vragen, gelaagde theorieën, steeds scherpere toetsingen

64 Zonder vergaande wetenschapstheoretische overeenstemming, heeft interdisciplinair onderzoek weinig zin. Kritisch rationalisme: vragen, gelaagde theorieën, steeds scherpere toetsingen De rest: thema’s, begrippen, voorbeelden

65 Er bestaat zoiets als algemene sociologie. Ongelijkheid, cohesie en rationalisering zijn hoofdvragen van de sociologie omdat ze een groot aantal vragen onder één hoed vangen en met verbeelding uit te breiden zijn. Er zijn ook vragen in de sociologie die tot meerdere hoofdvragen behoren. Die dubbelvragen staan in mijn werk centraal.

66 Ongelijkheid Inkomensverschillen Stijging en daling op de maatschappelijke ladder één hoofdvraag, meerdere deelvragen

67 Ongelijkheid Openheid Sociale mobiliteit één deelvraag, meerdere hoofdvragen

68 Sociaal gemengd huwen Ongelijkheid Openheid Sociale mobiliteit één deelvraag, meerdere hoofdvragen

69 Sociaal gemengd huwen Ongelijkheid Openheid Cohesie Banden Tussen groepen één deelvraag, meerdere hoofdvragen

70 Voor ik naar Nijmegen kwam bestudeerde ik vragen naar de mate waarin in Nederland en andere technisch hoog ontwikkelde landen mensen met een hoge (lage) opleiding trouwden met mensen met een hoge (lage) opleiding.

71 Dat gebeurde met loglineaire modellen, waarmee de kwestie van de veranderende omvang van het percentage hoog (laag) opgeleide mensen de wereld uit kon worden geholpen.

72 Voor ik naar Nijmegen kwam bestudeerde ik vragen naar de mate waarin in Nederland en andere technisch hoog ontwikkelde landen mensen met een hoge (lage) opleiding trouwden met mensen met een hoge (lage) opleiding. Dat gebeurde met loglineaire modellen, waarmee de kwestie van de veranderende omvang van het percentage hoog (laag) opgeleide mensen de wereld uit kon worden geholpen. In Nederland nam van 1959 tot 1971 de opleidingsheterogamie sterk toe, daarna bleef het stabiel en weer later daalde het wat.

73 In Nijmegen trof ik godsdienstsociologen aan. Met hen werd ik als stratificatiesocioloog verwacht samen te werken.

74 Op de SOCON vragenlijsten had ik het niet begrepen.

75 In Nijmegen trof ik godsdienstsociologen aan. Met hen werd ik als stratificatiesocioloog verwacht samen te werken. Op de SOCON vragenlijsten had ik het niet begrepen. Ik gruwel van enquêtevragen als hoe belangrijk vindt U godsdienst in Uw leven?

76 In Nijmegen trof ik godsdienstsociologen aan. Met hen werd ik als stratificatiesocioloog verwacht samen te werken. Op de SOCON vragenlijsten had ik het niet begrepen. Ik gruwel van enquêtevragen als hoe belangrijk vindt U godsdienst in Uw leven? De enquêtes stonden het trouwens niet toe vragen over veranderingen in de tijd te bestuderen, en te zoeken naar het jaar waarin ‘het’ in Nederland gebeurd zou zijn.

77 In Nijmegen trof ik godsdienstsociologen aan. Met hen werd ik als stratificatiesocioloog verwacht samen te werken. Op de SOCON vragenlijsten had ik het niet begrepen. Ik gruwel van enquêtevragen als hoe belangrijk vindt U godsdienst in Uw leven? De enquêtes stonden het trouwens niet toe vragen veranderingen in de tijd te bestuderen, en te zoeken naar het jaar waarin ‘het’ in Nederland gebeurd zou zijn. Verder bevatten de SOCON-enquêtes veel te weinig achtergrondgegevens van respondenten.

78 Ik heb toen uit kasten bij het CBS de tijdreeks over kerkelijk gemengd huwen te pakken weten te krijgen. Later vergeleek ik die met een West-Duitse tijdreeks.

79 Ik heb toen uit kasten bij het CBS de tijdreeks over kerkelijk gemengd huwen te pakken weten te krijgen. Later vergeleek ik die met een West-Duitse tijdreeks. Het was me bekend dat godsdienstsociologen en theologen die gegevens weinig waard waren gaan vinden, evenals gegevens over kerklidmaatschap. Maar ik kon een langere tijdreeks bestuderen en zij niet.

80 De tijdreeks wie trouwt met wie wat betreft godsdienst

81 Ik merkte dat godsdienstsociologen hadden geworsteld met de kwestie dat het ene kerkgenootschap meer aanhangers had dan het andere en dat die er niet waren uitgekomen. Ik heb toen loglineaire modellen toegepast.

82 De tijdreeks wie trouwt met wie wat betreft godsdienst Ik merkte dat godsdienstsociologen hadden geworsteld met de kwestie dat het ene kerkgenootschap meer aanhangers had dan het andere en dat die er niet waren uitgekomen. Ik heb toen loglineaire modellen toegepast. De uitkomst was dat van 1936 tot 1957 kerkelijk homogeen iets huwen toenam en daarna snel daalde. Rekening houdend met uiteenlopende aantallen huwden gereformeerden meer in eigen kring dan katholieken. De tijdreeks houdt op in 1984.

83 In 1992 begon ik een eigen enquête-reeks: de Familie- enquête Nederlandse Bevolking (FNB).

84 Daarin vragen we naar zich nu rekenen tot een kerkgenootschap. Daarin vragen we naar grootgebracht zijn binnen een bepaald kerkgenootschap. Daarin vragen we naar het jaar waarin mensen zich niet meer tot hun oude kerkgenootschap rekenden. De overgang was bijna altijd naar onkerkelijkheid.

85 Van statische gegevens over kerklidmaatschap naar dynamische gegevens over onkerkelijk worden

86 Tussen 1960 en 1971 nam in Nederland het aantal katholieken als percentage van de bevolking toe. Hoe kan dat?

87 Van statische gegevens over kerklidmaatschap naar dynamische gegevens over onkerkelijk worden Tussen 1960 en 1971 nam in Nederland het aantal katholieken als percentage van de bevolking toe. Hoe kan dat? Kerkverlating bleef onzichtbaar door hoge geboortecijfer. Verzamel gegevens over jaar van kerkverlating. Op de gegevens over jaar van kerkverlating lieten we een nieuwe techniek los, gebeurtenissenanalyse.

88 Bevindingen:

89 Ouderlijk en jeugdig kerkbezoek verminderde de kans op onkerkelijk worden, evenals bezoek Christelijke school.

90 Bevindingen: Ouderlijk en jeugdig kerkbezoek verminderde de kans op onkerkelijk worden, evenals bezoek Christelijke school. De kans dat iemand ontkerkelijkt was groter wanneer deze in een gemeente met al meer onkerkelijken woonde.

91 Bevindingen: Ouderlijk en jeugdig kerkbezoek verminderde de kans op onkerkelijk worden, evenals bezoek Christelijke school. De kans dat iemand ontkerkelijkt was groter wanneer deze in een gemeente met al meer onkerkelijken woonde. Mensen werden onkerkelijk voor ze naar de universiteit gingen.

92 Bevindingen: Ouderlijk en jeugdig kerkbezoek verminderde de kans op onkerkelijk worden, evenals bezoek Christelijke school. De kans dat iemand ontkerkelijkt was groter wanneer deze in een gemeente met al meer onkerkelijken woonde. Mensen werden onkerkelijk voor ze naar de universiteit gingen. Mensen werden vooral onkerkelijk bij het verlaten van het ouderlijk huis.

93 Bevindingen: Ouderlijk en jeugdig kerkbezoek verminderde de kans op onkerkelijk worden, evenals bezoek Christelijke school. De kans dat iemand ontkerkelijkt was groter wanneer deze in een gemeente met al meer onkerkelijken woonde. Mensen werden onkerkelijk voor ze naar de universiteit gingen. Mensen werden vooral onkerkelijk bij het verlaten van het ouderlijk huis. Mensen werden ook onkerkelijk bij huwen met iemand van een ander kerkgenootschap.

94 Bevindingen: Ouderlijk en jeugdig kerkbezoek verminderde de kans op onkerkelijk worden, evenals bezoek Christelijke school. De kans dat iemand ontkerkelijkt was groter wanneer deze in een gemeente met al meer onkerkelijken woonde. Mensen werden onkerkelijk voor ze naar de universiteit gingen. Mensen werden vooral onkerkelijk bij het verlaten van het ouderlijk huis. Mensen werden ook onkerkelijk bij huwen met iemand van een ander kerkgenootschap. Ontkerkelijking begon het eerst onder Nederlands-Hervormden, later onder Katholieken en nu heeft het vooral plaats onder Gereformeerden.

95 De laatste bevinding ad hoc verklaard met de aard van het geloof, en met de mate waarin een kerkgenootschap hiërarchisch is georganiseerd. De factor organisatie is een toevoeging aan Durkheim. Een kerkgenootschap met ‘alleen geloof’ doctrine verliest later leden door meer opleiding (verklaring tijdstip gereformeerden). Een kerkgenootschap met een sterke hiërarchie verliest later leden door meer opleiding later (verklaring tijdstip katholicisme).

96 De getoetste hypothesen waren afleidingen uit Durkheims integratiehypothese. We deden echter ook een poging deze hypothese nog algemener te maken. Dat was een hypothese over de gelegenheden en wensen van personen, volgens welke de gezamenlijkheid van een wens en een gelegenheid doorslaggevend is.

97 De vraag over onkerkelijk worden was een dubbelvraag Onkerkelijk worden Verbondenheid met kerk Cohesie van de samenleving Secularisering Rationalisering

98 De vraag over kerkelijk gemengde huwelijken was een niveau-paradox Per definitie is het zo dat als de banden die mensen met andere leden van de samenleving hebben, banden zijn binnen hun eigen groep, Deze mensen hecht zijn geïntegreerd maar de samenleving als geheel, wegens het ontbreken van banden tussen groepen, een beperkte cohesie vertoont De paradox van integratie en cohesie

99 ‘Sociologen signaleren het belang van religie bij het creëren en consolideren van sociale samenhang.’

100 Ik behoor niet tot die sociologen als ik op de paradox van integratie en cohesie wijs.

101 ‘Sociologen signaleren het belang van religie bij het creëren en consolideren van sociale samenhang.’ Ik behoor niet tot die sociologen als ik op de paradox van integratie en cohesie wijs. Omgang met meer mensen Is nog niet Meer omgang met andere mensen.

102 De mate van cohesie van een samenleving is een dispositioneel kenmerk, cohesie dan wel discohesie blijkt onder bepaalde omstandigheden.

103 Zo’n omstandigheid was voor Nederland de Tweede Wereldoorlog en toen ging het om de verbondenheid die niet-joden met Joden hadden.

104 De mate van cohesie van een samenleving is een dispositioneel kenmerk, cohesie dan wel discohesie blijkt onder bepaalde omstandigheden. Zo’n omstandigheid was voor Nederland de Tweede Wereldoorlog en toen ging het om de verbondenheid die niet-joden met Joden hadden. Drie vragen over joods-gojse verhoudingen:

105 De mate van cohesie van een samenleving is een dispositioneel kenmerk, cohesie dan wel discohesie blijkt onder bepaalde omstandigheden. Zo’n omstandigheid was voor Nederland de Tweede Wereldoorlog en toen ging het om de verbondenheid die niet-joden met Joden hadden. Drie vragen over joods-gojse verhoudingen: * trend in huwelijken tussen Joden en gojim

106 De mate van cohesie van een samenleving is een dispositioneel kenmerk, cohesie dan wel discohesie blijkt onder bepaalde omstandigheden. Zo’n omstandigheid was voor Nederland de Tweede Wereldoorlog en toen ging het om de verbondenheid die niet-joden met Joden hadden. Drie vragen over joods-gojse verhoudingen: * trend in huwelijken tussen Joden en gojim * trend in zelfdodingcijfer Joden en gojim

107 De mate van cohesie van een samenleving is een dispositioneel kenmerk, cohesie dan wel discohesie blijkt onder bepaalde omstandigheden. Zo’n omstandigheid was voor Nederland de Tweede Wereldoorlog en toen ging het om de verbondenheid die niet-joden met Joden hadden. Drie vragen over joods-gojse verhoudingen: * trend in huwelijken tussen Joden en gojim * trend in zelfdodingcijfer Joden en gojim * percentage omgebrachte Joden uit een gemeente afhankelijk van samenstelling bevolking van die gemeente naar kerkelijke gezindte.

108 Hoe valt een vergelijking van Amsterdam, Berlijn, Budapest, Frankfurt, Riga en Wenen uit wat betreft de trend in huwelijken tussen joden en gojim tussen 1900 en 1940 en hoe kunnen die trend worden verklaard? Tijdreeksen uit statistische jaarboeken van deze steden. Riga altijd de minste joods-gojse huwelijken, Amsterdam aanvankelijk één minst, maar aan eind Eerst Wereldoorlog meer dan Berlijn en Frankfurt, waar vanaf toen geen trend naar meer gemengde huwelijken was. De meeste gemengde huwelijken waren er in Budapest.

109 Binnen of buiten eigen groep verklaren uit gelegenheid en wens. Mijn maat voor gelegenheid: de ruimtelijke segregatie van de godsdiensten volgens volkstellingen. Mijn maat voor de joodse wens om in eigen kring te huwen: het aantal plaatsen in synagogen gezien het aantal Joden volgens volkstellingen. Gelegenheid had meer invloed dan orthodoxie. De Berlijnse en Frankfurtse trends kwamen tot stilstand voordat antisemitische politieke partijen stemmen gingen trekken.

110 Durkheim vatte een hoger zelfdodingcijfer op als een aanwijzing van geringe cohesie. Hoe verliep het zelfdodingcijfer van Joden in Nederland tussen 1936 en 1943? Durkheim had gestel dat het zelfdodingcijfer in tijden van oorlog, als een land meer politieke eenheid vertoont daalt. In het archief van het CBS lagen nog de onbetrouwbaar geachte telkaarten voor zelfdoding in de oorlogsjaren. Het totale zelfdodingcijfer voor Nederland daalde niet, het cijfer voor niet-joden wel.

111 Van ambtelijk-statische zelfdodingcijfers wordt gezegd dat ze onbetrouwbaar zijn en het CBS dacht de cijfers voor joden veel te laag zouden zijn.

112 De Duitse bezetter heeft zich echter niet met de doodsoorzaken- en zelfdodingstatistiek bemoeid.

113 Van ambtelijk-statische zelfdodingcijfers wordt gezegd dat ze onbetrouwbaar zijn en het CBS dacht de cijfers voor joden veel te laag zouden zijn. De Duitse bezetter heeft zich echter niet met de doodsoorzaken- en zelfdodingstatistiek bemoeid. De cijfers voor Joden bleken schrikbarend hoog te zijn.

114 Van ambtelijk-statische zelfdodingcijfers wordt gezegd dat ze onbetrouwbaar zijn en het CBS dacht de cijfers voor joden veel te laag zouden zijn. De Duitse bezetter heeft zich echter niet met de doodsoorzaken- en zelfdodingstatistiek bemoeid. De cijfers voor Joden bleken schrikbarend hoog te zijn. En ze klopten met politierapporten van Nederlandse gemeentes uit de meidagen van 1940 en uit latere jaren.

115 Van ambtelijk-statische zelfdodingcijfers wordt gezegd dat ze onbetrouwbaar zijn en het CBS dacht de cijfers voor joden veel te laag zouden zijn. De Duitse bezetter heeft zich echter niet met de doodsoorzaken- en zelfdodingstatistiek bemoeid. De cijfers voor Joden bleken schrikbarend hoog te zijn. En ze klopten met politierapporten van Nederlandse gemeentes uit de meidagen van 1940 en uit latere jaren. De telkaarten betroffen ook personen die in Kamp Westerbork een eind aan hun leven maakten.

116 Zelfdoding van Joden in Nederland per :

117 Zelfdoding van Joden in Nederland per : Aantal zelfmoorden steeg in de maanden en weken dat in een plaats deportatie plaats had. Joden zagen hun lot aankomen en niet-joden hielden ze niet van zelfmoord af.

118 Nederlandse historici als Blom hebben vaker gewezen op het in vergelijking met andere landen bijzonder hoge percentage Nederlandse Joden dat in de Tweede Wereldoorlog door Nazi-Duitsland is omgebracht.

119 Ze hebben daarover ook waarom-vragen gesteld.

120 Nederlandse historici als Blom hebben vaker gewezen op het in vergelijking met andere landen bijzonder hoge percentage Nederlandse Joden dat in de Tweede Wereldoorlog door Nazi-Duitsland is omgebracht. Ze hebben daarover ook waarom-vragen gesteld. Hun vraag is een kwantitatieve vraag en kwantitatieve vragen vereisen kwantitatieve antwoorden.

121 Nederlandse historici als Blom hebben vaker gewezen op het in vergelijking met andere landen bijzonder hoge percentage Nederlandse Joden dat in de Tweede Wereldoorlog door Nazi-Duitsland is omgebracht. Ze hebben daarover ook waarom-vragen gesteld. Hun vraag is een kwantitatieve vraag en kwantitatieve vragen vereisen kwantitatieve antwoorden. Kwantitatieve antwoorden hebben historici tot nu toe niet gegeven.

122 Om verder te komen hebben we de stap gemaakt van een landenvergelijking waarin Nederland centraal staat Naar een vergelijking van Nederlandse gemeenten wat betreft het percentage omgebrachte Joden.

123 Volgens cijfers met onduidelijke herkomst van de historicus Lou de Jong waren joden vooral bij Gereformeerden ondergedoken.

124 Daarvan vonden we niets in een analyse waarin het percentage omgekomen Joden uit een gemeente in verband werd gebracht met de godsdienstige samenstelling van die gemeente.

125 Volgens cijfers met onduidelijke herkomst van de historicus Lou de Jong waren joden vooral bij Gereformeerden ondergedoken. Daarvan vonden we niets in een analyse waarin het percentage omgekomen Joden uit een gemeente in verband werd gebracht met de godsdienstige samenstelling van die gemeente. In memoriam van de Oorlogsgravenstichting bevat de naam, geboorteplaats en -datum van alle omgekomen joden, in gemeentearchieven bevinden zich namenlijsten gemaakt voor de Duitse bezetter.

126 Volgens cijfers met onduidelijke herkomst van de historicus Lou de Jong waren joden vooral bij Gereformeerden ondergedoken. Daarvan vonden we niets in een analyse waarin het percentage omgekomen Joden uit een gemeente in verband werd gebracht met de godsdienstige samenstelling van die gemeente. In memoriam van de Oorlogsgravenstichting bevat de naam, geboorteplaats en -datum van alle omgekomen joden, in gemeentearchieven bevinden zich namenlijsten gemaakt voor de Duitse bezetter. Bevinding: als het percentage katholieken hoger is, een lager percentage omgekomenen. Dit verband verdween als rekening werd gehouden met de gewelddadigheid van het optreden van de Duitse politie in een district (Groningen, Friesland, Drenthe).

127 Enquête door studenten in 2005 binnen onderdeel macro- en microsociologie voor de master sociologie genaamd ‘Doorsnee Nederlanders in de Tweede Wereldoorlog’: Bejaarden herinneren zich nu zelden kanselvoorlezingen waarin tegen de jodenvervolging werd geprotesteerd.

128 Volgens de historicus Blom bemoeilijkte de Nederlandse verzuilingsmentaliteit hulp aan Joden.

129 Wij gingen uit van verzuiling als een geringere gelegenheid om onderduik en andere hulp aan te bieden en onderduik en andere hulp te vragen.

130 Volgens de historicus Blom bemoeilijkte de Nederlandse verzuilingsmentaliteit hulp aan Joden. Wij gingen uit van verzuiling als een geringere gelegenheid om onderduik en andere hulp aan te bieden en onderduik en andere hulp te vragen. De mate waarin katholieken en protestanten in een plaats met elkaar waren gehuwd, bleek positief samen te hangen met de kans dat Joden uit die plaats overleefden.

131 Volgens de historicus Blom bemoeilijkte de Nederlandse verzuilingsmentaliteit hulp aan Joden. Wij gingen uit van verzuiling als een geringere gelegenheid om onderduik en andere hulp aan te bieden en onderduik en andere hulp te vragen. De mate waarin katholieken en protestanten in een plaats met elkaar waren gehuwd, bleek positief samen te hangen met de kans dat Joden uit die plaats overleefden. Een inhoudsanalyse van dagboeken van ondergedokenen leverde geen aanwijzing voor de rol van godsdienst.

132 Volgens de historicus Blom bemoeilijkte de Nederlandse verzuilingsmentaliteit hulp aan Joden. Wij gingen uit van verzuiling als een geringere gelegenheid om onderduik en andere hulp aan te bieden en onderduik en andere hulp te vragen. De mate waarin katholieken en protestanten in een plaats met elkaar waren gehuwd, bleek positief samen te hangen met de kans dat Joden uit die plaats overleefden. Een inhoudsanalyse van dagboeken van ondergedokenen leverde geen aanwijzing voor de rol van godsdienst. Wel dat het platteland voor onderduik belangrijk was. Als het percentage personen werkzaam in de landbouw in een gemeente hoger was, was het percentage omgekomen Joden lager.

133 Gegevens over huwelijken tussen katholieken en protestanten haalden we uit het computerbestand voor de Volkstelling Daarin stond per persoon de woonplaats, de eigen kerkelijke gezindte en die van de partner, het jaar van huwelijkssluiting, en het jaar waarin de persoon in de huidige woonplaats kwam wonen. Deze gegevens klopten goed met de provinciale gegevens van voor de Tweede Wereldoorlog over het aantal in een jaar gesloten huwelijken naar de kerkelijke gezindte van de beide partners.

134 Dat wat betreft mijn interdisciplinaire strijd tegen (geen samenwerking met) historici. Niet zozeer strijd tegen hun vragen of hypothesen, als wel tegen hun onsystematische manier van onderzoek doen.

135

136 Drie gevallen van lopend of bijna afgesloten onderzoek:

137 * vernielingen in synagogen in Nederland in de Tweede Wereldoorlog en moskeebranden en branden in islamscholen in Nederland de laatste tien jaar

138 Drie gevallen van lopend of bijna afgesloten onderzoek: * vernielingen in synagogen in Nederland in de Tweede Wereldoorlog en moskeebranden en branden in islamscholen in Nederland de laatste tien jaar * inenten bij bevindelijk gereformeerden

139 Drie gevallen van lopend of bijna afgesloten onderzoek: * vernielingen in synagogen in Nederland in de Tweede Wereldoorlog en moskeebranden en branden in islamscholen in Nederland de laatste tien jaar * inenten bij bevindelijk gereformeerden * het technologisch peil van samenlevingen en hun godsbeelden en riten

140 De inentingvraag is ingegeven door een strijdvraag in de hedendaagse godsdienstsociologie, de kwestie van MODERNISERING OF MARKT.

141 De moderniseringshypothese voorspelt minder kerkelijkheid bij een hoger technologisch peil en activistischer ideologieën in een samenleving. Ze doet het niet slecht in onderzoek - zelfs niet in de VS.

142 De inentingvraag is ingegeven door een strijdvraag in de hedendaagse godsdienstsociologie, de kwestie van MODERNISERING OF MARKT. De moderniseringshypothese voorspelt minder kerkelijkheid bij een hoger technologisch peil en activistischer ideologieën in een samenleving. Ze doet het niet slecht in onderzoek - zelfs niet in de VS. Amerikaanse marktsociologen als Stark en Iannaccone geloven de Nederlandse gegevens niet, er zou te veel secularisatie zijn.

143 De inentingvraag is ingegeven door een strijdvraag in de hedendaagse godsdienstsociologie, de kwestie van MODERNISERING OF MARKT. De moderniseringshypothese voorspelt minder kerkelijkheid bij een hoger technologisch peil en activistischer ideologieën in een samenleving. Ze doet het niet slecht in onderzoek - zelfs niet in de VS. Amerikaanse marktsociologen als Stark en Iannaccone geloven de Nederlandse gegevens niet, er zou te veel secularisatie zijn. Daarom onderzoek met een nieuwe aanwijzing voor geen secularisatie: kinderen niet laten inenten.

144 De inentingvraag is ingegeven door een strijdvraag in de hedendaagse godsdienstsociologie, de kwestie van MODERNISERING OF MARKT. De moderniseringshypothese voorspelt minder kerkelijkheid bij een hoger technologisch peil en activistischer ideologieën in een samenleving. Ze doet het niet slecht in onderzoek - zelfs niet in de VS. Amerikaanse marktsociologen als Stark en Iannacccone geloven de Nederlandse gegevens niet, er zou te veel secularisatie zijn. Daarom onderzoek met een nieuwe aanwijzing voor geen secularisatie: kinderen niet laten inenten. Daarom onderzoek bij een groep waar het minst secularisatie wordt verwacht: bevindelijk gereformeerden.

145 Voorlopige bevindingen inentingvraag:

146 * Inenting historisch geen grote rol bij afsplitsingen van de Nederlands-Hervormde kerk: Capadose was in 1823 tegen en bleef Hervormd, Kuyper was in 1883 voor en ging eruit.

147 Voorlopige bevindingen inentingvraag: * Inenting historisch geen grote rol bij afsplitsingen van de Nederlands-Hervormde kerk: Capadose was in 1823 tegen en bleef Hervormd, Kuyper was in 1883 voor en ging eruit. * Tussen 1971 en nu nam de inentingsgraad ook toe in de plaatsen met de hoogste percentages SGP-stemmen.

148 Voorlopige bevindingen inentingvraag: * Inenting historisch geen grote rol bij afsplitsingen van de Nederlands-Hervormde kerk: Capadose was in 1823 tegen en bleef Hervormd, Kuyper was in 1883 voor en ging eruit. * Tussen 1971 en nu nam de inentingsgraad ook toe in de plaatsen met de hoogste percentages SGP-stemmen. * Op reformatorische scholen zijn volgens enquêtes van het Reformatorisch Dagblad leerlingen sinds 1981 meer van mening dat inenten moet worden aangemoedigd.

149 Voorlopige bevindingen inentingvraag: * Inenting historisch geen grote rol bij afsplitsingen van de Nederlands-Hervormde kerk: Capadose was in 1823 tegen en bleef Hervormd, Kuyper was in 1883 voor en ging eruit. * Tussen 1971 en nu nam de inentingsgraad ook toe in de plaatsen met de hoogste percentages SGP-stemmen. * Op reformatorische scholen zijn volgens enquêtes van het Reformatorisch Dagblad leerlingen sinds 1981 meer van mening dat inenten moet worden aangemoedigd. * Volgens een eigen enquête in 2003 op zo’n school is de kans dat kinderen zijn ingeënt groter als de opleiding van de ouders hoer is, waarbij de opleiding van de moeder van meer belang is dan die van de vader.

150 Voorlopige bevindingen inentingvraag: * Inenting historisch geen grote rol bij afsplitsingen van de Nederlands-Hervormde kerk: Capadose was in 1823 tegen en bleef Hervormd, Kuyper was in 1883 voor en ging eruit. * Tussen 1971 en nu nam de inentingsgraad ook toe in de plaatsen met de hoogste percentages SGP-stemmen. * Op reformatorische scholen zijn volgens enquêtes van het Reformatorisch Dagblad leerlingen sinds 1981 meer van mening dat inenten moet worden aangemoedigd. * Volgens een eigen enquête in 2003 op zo’n school is de kans dat kinderen zijn ingeënt groter als de opleiding van de ouders hoer is, waarbij de opleiding van de moeder van meer belang is dan die van de vader. * Gereformeerde bonders zijn vaker ingeënt.

151 In de komende jaren kunnen twee algehele vraagverschuivingen in de godsdienstsociologie optreden. De eerste:

152 Van vragen over secularisatie binnen technisch hoogontwikkelde landen naar vragen over de verhouding tussen de aanhangers van verschillende wereldgodsdiensten of misschien aanhangers van de Islam en onkerkelijken. Inglehart & Norris: Sacred and secular, 2004.

153 In de komende jaren kunnen twee algehele vraagverschuivingen in de godsdienstsociologie optreden. De eerste: Van vragen over secularisatie binnen technisch hoogontwikkelde landen naar vragen over de verhouding tussen de aanhangers van verschillende wereldgodsdiensten of misschien aanhangers van de Islam en onkerkelijken. Inglehart & Norris: Sacred and secular, De eerdere versie van deze vraag was die naar de verhouding tussen Joden en Christenen.

154 In de komende jaren kunnen twee algehele vraagverschuivingen in de godsdienstsociologie optreden. De eerste: Van vragen over secularisatie binnen technisch hoogontwikkelde landen naar vragen over de verhouding tussen de aanhangers van verschillende wereldgodsdiensten of misschien aanhangers van de Islam en onkerkelijken. Inglehart & Norris: Sacred and secular, De eerdere versie van deze vraag was die naar de verhouding tussen Joden en Christenen. Deze verhoudingen zijn, als het om cohesie binnen één enkel land gaat, beter te meten via geweldsincidenten, zoals brandstichtingen en vernielingen van godsdienstige gebouwen, dan met enquêtevragen over houdingen.

155 Nog geen bevindingen brandenvraag:

156 Lijsten met moskeebranden zijn aangelegd.

157 Nog geen bevindingen brandenvraag: Lijsten met moskeebranden zijn aangelegd. Lijsten voor vernielingen van synagogen in Nederland in de Tweede Wereldoorlog zijn bijna klaar.

158 Nog geen bevindingen brandenvraag: Lijsten met moskeebranden zijn aangelegd. Lijsten voor vernielingen van synagogen in Nederland in de Tweede Wereldoorlog zijn bijna klaar. Lijsten met kenmerken van vooroorlogse Nederlandse gemeenten wat betreft NSB-stemmen en andere plaatskenmerken zijn klaar.

159 Nog geen bevindingen brandenvraag: Lijsten met moskeebranden zijn aangelegd. Lijsten voor vernielingen van synagogen in Nederland in de Tweede Wereldoorlog zijn bijna klaar. Lijsten met kenmerken van vooroorlogse Nederlandse gemeenten wat betreft NSB-stemmen en andere plaatskenmerken zijn klaar. Aanwijzing voor vernieling van synagogen door rondtrekkende NSB-ers en erger (denk aan beeldenstorm in 1566 en pogroms in Rusland in 1905).

160 Nog geen bevindingen brandenvraag: Lijsten met moskeebranden zijn aangelegd. Lijsten voor vernielingen van synagogen in Nederland in de Tweede Wereldoorlog zijn bijna klaar. Lijsten met kenmerken van vooroorlogse Nederlandse gemeenten wat betreft NSB-stemmen en andere plaatskenmerken zijn klaar. Aanwijzing voor vernieling van synagogen door rondtrekkende NSB-ers en erger (denk aan Beeldenstorm in 1566 en pogroms in Rusland in 1905). Aanwijzing voor concentratie moskeebranden beneden de rivieren in eens Katholieke gebieden.

161 Deze mogelijke algehele vraagverschuiving lijkt ingegeven door politiek- maatschappelijke, niet zozeer door wetenschappelijke ontwikkelingen. De tweede mogelijke algehele vraagverschuiving in de godsdienstsociologie is wel ingegeven door wetenschappelijke ontwikkelingen: het overwaaien van evolutionaire theorieën uit biologie en psychologie. Kernverwijzing: David Sloan Wilson, Darwin’s Cathedral, 2002

162 Als riten volgens antropologen en sociologen onderscheid bewerkstelligen, hoe is dan de mannelijke besnijdenis binnen het Jodendom ontstaan? De oude Egyptenaren hadden de mannenbesnijdenis al, de Islam heeft de besnijdenis ook en onderscheidt dus niet. Toekomstig artikel over ontwikkleing mannelijke besnijdenis binnen het Jodendom tegen de achtergrond van antropologische bevindingen en sociologische hypothesen.

163 Bevindingen veldwerk antropologen: Besnijdenis altijd net voor geslachtsrijp worden. Veel dat circumcisie wordt genoemd, is incisie. Daarentegen: Joden hebben mannelijke besnijdenis bij geboorte.

164 Egyptologische literatuur Jonckheere, ook medicus, 1954 De oude Egyptenaren hadden incisie, de Joden circumcisie. dus wel onderscheidingsteken Literatuur over Judaïsme: Pas tijdens de Babylonische ballingschap, toen het Jodendom dreigde op te gaan in de omringende samenleving, bewerkstelligden rabbi’s besnijdenis bij de geboorte. Toen het Jodendom in het Romeinse Rijk dreigde op te gaan, werd aan de oude Millah (chituch) de nieuwe periah toegevoerd; het was nu onmogelijk de voorhuid op te trekken en voor Romein door te gaan. Van der Horst uit Utrecht wist dit laatste niet, artikel Nissan Rubin 2003.

165 Webers hypothese, opgesteld aan de hand van het werk van Wellhausen, was dat in het Jodendom het verbod op gemengd huwen scherper werd joden militaire nederlagen hadden geleden.

166 De Islam kent alleen de ‘chituch’ (navragen bij medicus) Omdat de Islam bijna overal de dominante godsdienst was bleef besnijdenis bij heel jeugdige jongens achterwege.

167 Webers hypothese, opgesteld aan de hand van het werk van Wellhausen, was dat in het Jodendom het verbod op gemengd huwen scherper werd joden militaire nederlagen hadden geleden. Die hypothese generaliseer ik nu tot een hypothese over de evolutie van riten in het algemeen: Riten gaan meer handelingen omvatten door wedijver tussen groepen. Ze bestendigen dan groepsgrenzen door religieuse mobiliteit te bemoeilijken.

168 Geen vraag over godsdienstige riten, maar een vraag over godsdienstige voorstellingen: De vraag waarom godsbeelden volgens antropologisch veldwerk van samenleving tot samenleving zo vele van elkaar verschillen. Evolutionistische macrohypothese: hoe hoger het technologisch peil van samenlevingen, des te activistischer is hun godsbeeld.

169 Godsbeelden van minder naar meer actief: * Geen opperschepper * Opperschepper, maar heeft zich teruggetrokken uit de wereld * Opperschepper die nu goede beloont en kwaad bestraft.

170 Tabel die Lenski met Etnografisch Atlas maakte: Technisch niveaupercentage met opperschepper die nu goede beloont en kwaad bestraft Jagen en verzamelen2 (n = 85) Eenvoudige tuinbouw2(n = 43) Ontwikkelde tuinbouw16(n = 131) Akkerbouw67(n = 66)

171 De macrohypothese hoe hoger het technologisch peil van samenlevingen, des te activistischer is het godsbeeld. valt af te leiden uit de individuele hypothese dat de mensen het veraf gelegene en onbekende proberen te begrijpen naar analogie met het bekende. Volgens de evolutionair psycholoog Pinker, The blank slate, 2002, is antropomorfisme een ‘human universal’.

172 Wat bekend is hangt van het technologisch peil van een samenleving en andere samenlevingskenmerken af. Durkheim, Formes élémentaires, 1912 Topitsch, Vom Ursprung und Ende der Metaphysik, 1958 Lenski, Human societies, 1970

173 Biomorf denkmodel en analogieredenering: Zoals kinderen door geslachtsgemeenschap worden geboren, zo ontstond de wereld uit een geslachtsdaad van zon en maan. Technomorf denkmodel en analogieredenering: Zoals mensen potten bakken, zo maakte God de mens uit klei. Sociomorf denkmodel en analogieredenering: Zoals een vader voor zijn huishouden zorgt en een vorst voor zijn onderdaden, zo zorgt God voor de wereld.

174 Niveau techniekDenkmodel Jagen en verzamelenbiomorf Eenvoudige tuinbouwbiomorf Ontwikkelde tuinbouwtechnomorf Akkerbouwsociomorf Hoe meer de mens ingrijpt in de wereld, des te actiever is God.

175 We zijn nu bezig in scheppingsverhalen van samenlevingen in het Etnografisch Atlas analogieredeneringen te identificeren. Dat gebeurt in een project met geld van het NWO aandachtsgebied Evolutie en gedrag. De aanvragers waren een antropoloog en een socioloog.

176

177 Ik sta bekend als keihard kwantitatief socioloog.

178 Dat ben ik ook, maar het werken met die methoden is ingegeven door inhoudelijke vragen over samenlevingen.

179 Ik sta bekend als keihard kwantitatief socioloog. Dat ben ik ook, maar het werken met die methoden is ingegeven door inhoudelijke vragen over samenlevingen. Cijfers zijn niet aantrekkelijk op zich, maar vloeien voort uit een streven naar systematisering van methoden.

180 Ik sta bekend als keihard kwantitatief socioloog. Dat ben ik ook, maar het werken met die methoden is ingegeven door inhoudelijke vragen over samenlevingen. Cijfers zijn niet aantrekkelijk op zich, maar vloeien voort uit een streven naar systematisering van methoden. En met geavanceerde kwantitatieve methoden kunnen kwalitatieve bezwaren worden aangepakt.

181 Ik sta bekend als keihard kwantitatief socioloog. Dat ben ik ook, maar het werken met die methoden is ingegeven door inhoudelijke vragen over samenlevingen. Cijfers zijn niet aantrekkelijk op zich, maar vloeien voort uit een streven naar systematisering van methoden. En met geavanceerde kwantitatieve methoden kunnen kwalitatieve bezwaren worden aangepakt. Om met wisselende groepsgrootte rekening te houden, worden loglineaire modellen toegepast.

182 Ik sta bekend als keihard kwantitatief socioloog. Dat ben ik ook, maar het werken met die methoden is ingegeven door inhoudelijke vragen over samenlevingen. Cijfers zijn niet aantrekkelijk op zich, maar vloeien voort uit een streven naar systematisering van methoden. En met geavanceerde kwantitatieve methoden kunnen kwalitatieve bezwaren worden aangepakt. Om met wisselende groepsgrootte rekening te houden, worden loglineaire modellen toegepast. Om levenslopen te bestuderen is gebeurtenissenanalyse nodig.

183 Ik sta bekend als keihard kwantitatief socioloog. Dat ben ik ook, maar het werken met die methoden is ingegeven door inhoudelijke vragen over samenlevingen. Cijfers zijn niet aantrekkelijk op zich, maar vloeien voort uit een streven naar systematisering van methoden. En met geavanceerde kwantitatieve methoden kunnen kwalitatieve bezwaren worden aangepakt. Om met wisselende groepsgrootte rekening te houden, worden loglineaire modellen toegepast. Om levenslopen te bestuderen is gebeurtenissenanalyse nodig. Om een individu in haar of zijn context te bezien, is multiniveau-analyse nodig.

184

185 Interdisciplinariteit:

186 Het meest heb ik me aangetrokken van wetenschapsfilosofen.

187 Interdisciplinariteit: Het meest heb ik me aangetrokken van wetenschapsfilosofen. Aanvankelijk zag ik veel in de behavioristische psychologie, die veel lijkt op de rationaliteitveronderstelling van de klassieke economie en de marktsociologie van godsdienst, maar nu niet meer.

188 Interdisciplinariteit: Het meest heb ik me aangetrokken van wetenschapsfilosofen. Aanvankelijk zag ik veel in de behavioristische psychologie, die veel lijkt op de rationaliteitveronderstelling van de klassieke economie en de marktsociologie van godsdienst, maar nu niet meer. Nu vaar ik op de koers van cognitieve en evolutionistische psychologie aangevuld met symbolische antropologie en godsdienstgeschiedenis.

189 Interdisciplinariteit: Het meest heb ik me aangetrokken van wetenschapsfilosofen. Aanvankelijk zag ik veel in de behavioristische psychologie, die veel lijkt op de rationaliteitveronderstelling van de klassieke economie en de marktsociologie van godsdienst, maar nu niet meer. Nu vaar ik op de koers van cognitieve en evolutionistische psychologie aangevuld met symbolische antropologie en godsdienstgeschiedenis en -wetenschap. De sterkste noodzaak tot samenwerking is er tussen sociologie en geschiedenis.

190 Waarom samenwerking sociologie en geschiedwetenschap?

191 Geschiedwetenschap heeft gegevens om de houdbaarheid van sociologische theorieën te bepalen.

192 Waarom samenwerking sociologie en geschiedwetenschap? Geschiedwetenschap heeft gegevens om de houdbaarheid van sociologische theorieën te bepalen. Kennis van geschiedenis leidt tot minder sociologische vragen die op verkeerde veronderstellingen berusten.

193 Waarom samenwerking sociologie en geschiedwetenschap? Geschiedwetenschap heeft gegevens om de houdbaarheid van sociologische theorieën te bepalen. Kennis van geschiedenis leidt tot minder sociologische vragen die op verkeerde veronderstellingen berusten. Met de hoofdvragen van de sociologie en met de algemene theorieën van de sociologie kan de versplintering van de geschiedwetenschap worden verminderd.

194 Waarom samenwerking sociologie en geschiedwetenschap? Geschiedwetenschap heeft gegevens om de houdbaarheid van sociologische theorieën te bepalen. Kennis van geschiedenis leidt tot minder sociologische vragen die op verkeerde veronderstellingen berusten. Met de hoofdvragen van de sociologie en met de algemene theorieën van de sociologie kan de versplintering van de geschiedwetenschap worden verminderd. Godsdienstwetenschap lijkt veel op sociologie, kerkgeschiedenis op geschiedwetenschap.

195 Deze presentatie kan nog eens bekeken worden op socsci.ru.nl/maw.sociologie/ultee/ Of type in google: wout ultee De eerste hit is mijn website.


Download ppt "EEN ALGEMEEN SOCIOLOOG OVER GODSDIENSTIGE VERSCHIJNSELEN ALS AANWIJZINGEN VOOR COHESIE Wout Ultee Sectie Sociologie Radboud Universiteit Nijmegen 25-1-2006."

Verwante presentaties


Ads door Google