De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

Het begrip eigendom Eindversie 12.. Begrip eigendom  Uitgangspunt: artikel 544 B.W.  Vraagstelling  Algemene evolutieschets  Eigendom in het klassieke.

Verwante presentaties


Presentatie over: "Het begrip eigendom Eindversie 12.. Begrip eigendom  Uitgangspunt: artikel 544 B.W.  Vraagstelling  Algemene evolutieschets  Eigendom in het klassieke."— Transcript van de presentatie:

1 Het begrip eigendom Eindversie 12.

2 Begrip eigendom  Uitgangspunt: artikel 544 B.W.  Vraagstelling  Algemene evolutieschets  Eigendom in het klassieke Romeinse recht  Eigendom in het costumiere recht  Eigendom tijdens de Franse revolutie  Eigendom in de Code Civil van 1804  Eigendom in de 20 ste eeuw

3 Uitgangspunt (1)  Art. 544 B.W. Eigendom is het recht om op de meest volstrekte wijze van een zaak het genot te hebben en daarover te beschikken, mits men er geen gebruik van maakt dat strijdig is met de wetten of de verordeningen  Eigendom is er opgevat als een voor de eigenaar bestemd subjectief recht : is iemand eigenaar van een bepaald goed, dan kan hij als rechts- subject aanspraak maken op het in artikel 544 B.W. bepaalde subjectieve genot- en beschik- kingsrecht

4 Uitgangspunt (2)  Bij nader toezien houdt dit eigendomsrecht een bundel van subjectieve rechten of bevoegdheden in die soms wel en soms niet uitdrukkelijk in de wet zijn omschreven  Zo heeft de eigenaar het recht van natrekking op al wat de zaak voortbrengt of er mee verbonden wordt (artikel 546 B.W.), de bevoegd- heid om op zijn grond aangebrachte beplantingen en gebouwen te doen wegruimen (artikel 555 B.W.), een aanspraak om niet gestoord te worden in het gebruik of genot van zijn eigendom (artikel 1625 B.W.), de bevoegdheid om dat goed te vervreemden (artikel B.W.), de bevoegdheid om dat goed te verhuren (art bis B.W.) de bevoegdheid om vreemden tot zijn eigendom toe te laten, de bevoegd- heid om een goed te veranderen of te vernietigen, enz …  De bestemmelingen van deze verschillende eigendomsrechten zijn soms zeer specifiek (bijv. artikel 555 B.W.) en meestal alle derden (erga omnes).

5 Uitgangspunt (3)  Maar anderzijds is de eigenaar ook zelf ook de bestemmeling van een reeks wettelijk of anders be- paalde verplichtingen, zoals de verplichting tot het betalen van grondbelastingen of successierechten, de verplichting tot aangifte van een aantal inlichtingen bepaald in artikel 473 Wetboek van de inkomstenbe- lastingen, de verplichting om in te staan voor de vei- ligheid van zijn erf (artikel 1386 B.W.), de verplichting om het water van een hoger gelegen erf te ontvangen (artikel 640 B.W.), de verplichting tot het bijdragen in de kosten van een afsluiting (artikel 663 B.W.), het verbod om misbruik te maken van zijn eigendoms- recht (rechtspraak), enz...

6 Vraagstelling (1)  De vraag is nu : “Van waar komt nu dit moderne eigendomsrecht?”  Tekstueel is het antwoord op deze vraag heel gemakkelijk : de tekst van artikel 544 B.W. stond al in de “Code Civil” van 1804 en werd zelf (via via) ontleend aan Bartolus (ca ) die de eigendom (van lichamelijke zaken) als volgt for- muleerde: “Wat is eigendom? Het is het recht om over een (lichamelijke) zaak volkomen te be- schikken voor zover het niet door de wet is ver- boden” (Quid est dominium? Responde: est ius in re (corporali) perfecte disponendi, nisi lege prohibeatur)

7 Vraagstelling (2)  Inhoudelijk is het veel moeilijker om op die vraag te antwoorden. Eigendom werd en wordt immers door velen beschouwd als één van de belangrij- ke hoekstenen van onze Westerse vrijheid- (seconomie). Hierin worden de individuele vrij- heden beschouwd als de vrije sfeer waarin wij mogen doen wat wij willen (vrij handelen) en zelf mogen beschikken over de geestelijke en stof- felijke dingen die ons aangaan. En van die vrij- heid is dan, voor zover ze betrekking heeft op aardse goederen, private eigendom middelpunt en model

8 Vraagstelling (3)  Aan dit Westerse vrijheids-en-eigendomsbegrip worden dan volgende kenmerken toegeschreven  Abstractheid : de inhoud van het begrip is niet concreet te beschrijven door een opsomming van verschillende bevoegdheden, want een uitputtende opsomming is niet te geven, ja vrijwel alle bevoegdheden kunnen ontbreken zonder dat de eigenaar ophoudt eigenaar te zijn  Totaliteit : 1° eigendom is eenvormig of ongedeeld: er is maar één eigendom en één eigenaar, er bestaan geen verschillende soorten ei- gendom en eigenaars. Naast eigendom bestaan er alleen rechten op andermans zaak. 2° Eigendom omvat het totaal van al die (private) rechten en bevoegdheden op een zaak; er zijn geen rechten en bevoegdheden denkbaar die niet in eigendom zijn begrepen  Absoluutheid : 1° eigendom is exclusief : de eigenaar kan zijn eigendomsrecht tegenover elke andere laten gelden of hij mag iedere ander (ook de staat) uitsluiten van handelingen met betrekking tot zijn zaak en 2° eigendom is onbeperkt: de eigenaar beschikt (binnen de grenzen van de wet) onbeperkt over zijn eigendom; er zijn geen gren- zen aan zijn bevoegdheid.

9 Vraagstelling (4)  De vraag stelt zich dan waar dit “Westers-vrij- heids-en-eigendomsbegrip is ontstaan?  In het Romeinse recht zoals sommige beweren?  In het 17 de -18 de eeuwse natuurrecht zoals ande- ren menen?  In het 19 de eeuwse economisch-liberalistische denken van de zoals nog anderen beweren?  En waarom is dat idealistische vrijheids-en-ei- gendomsbegrip dan opnieuw beperkt geworden in de 20 ste eeuw?

10 Algemene evolutieschets (1)  De Romeinen ontwikkelden een zelfstandig ei- gendomsbegrip, dat ze niet nauwkeurig bepaal- den maar wel nauwkeurig onderscheiden van alle andere zakelijke (en persoonlijke) rechten en ook van bezit dat volgens hen geen recht maar een feitelijke situatie was  In het costumiere recht ging dat Romeinse ei- gendomsbegrip teloor omdat het werd overvleu- geld door het oud-Germaanse begrip van de saisine dat tezelfdertijd bezit, de eigendom en de allerlei belangrijke zakelijke rechten inhield

11 Algemene evolutieschets (2)  De glossatoren en bartolisten streefden naar een herin- voering van bepaalde elementen van het Romeinse ei- gendomsbegrip en dit drong vanaf de 13 de -14 de eeuw geleidelijk aan door in de rechtspraktijk  De school van het natuurrecht streefde weer voor het eerst naar een eenvormig eigendomsbegrip en gaf dit begrip ook een diepere vrijheidsdimensie  Onder invloed van het economisch liberalisme werd dit eigendomsbegrip in midden van de 19 de eeuw sterk ingekleurd als een individueel eigendomsconcept  De 20 ste eeuw socialiseerde opnieuw dit eigendomsbe- grip zonder radicaal afbreuk te doen aan de vorige basis- filosofie

12 Het eigendomsbegrip in het klassieke Romeinse recht (1)  Op het einde van de republiek ontstond er in het Romeinse recht een (van de andere zakelijke rechten) onafhankelijk eigendomsrecht dat meestal met de term dominium ex iure Quiritium werd aangeduid  Deze Quiritische eigendom werd er niet precies gedefini- eerd, maar ten hoogste omschreven als de verzameling van bevoegdheden die men kon uitoefenen op een goed  Een aantal 17 de en 18 de eeuwse auteurs zoals Robert Pot- hier ( ) (en dus niet de Romeinen!) hebben al deze bevoegdheden ondergebracht onder de woorden usus (recht om een zaak te gebruiken), fructus (recht om van een zaak te genieten) en abusus (recht om over een zaak te beschikken, ofwel materieel door ze te vernietigen, ofwel juridisch door ze te vervreemden) 12

13 Het eigendombegrip in het klassieke Romeinse recht (2)  De abusus was daarbij ongetwijfeld het meest typische element : het 1° onderscheidde niet alleen de eigendom van de andere zakelijke rechten, 2° maar legde in de toenmalige handelseconomie sterk de nadruk op de mogelijkheid om het goed te verkopen (= te realiseren)  In vergelijking met het moderne eigendomsbegrip had de Quiritische eigendom volgende kenmerken :  Er zijn geen sporen te vinden van een abstract karakter. De Romeinen benaderden de juridische vragen immers altijd veel praktischer dan wij. Wij vragen : wie is de eigenaar en welke rechten of bevoegdheden heeft hij? Zij vroegen: wie heeft er een actie tot het opvorderen van eigendom of wie kan er revindiceren?

14 Het eigendombegrip in het klassieke Romeinse recht (2)  De gedachte dat er van een zaak maar één eigenaar kan zijn, is in het Corpus iuris civilis te vinden (D ), maar het klassieke en het Justiniaanse recht kenden meerdere soorten eigendom, want naast een Quiritische eigendom bestond ook een praetori- sche, een perigrijnse eigendom (voor de non-cives), een peculium voor de slaaf en het recht van de kraker van een ongebruik goed om de eigenaar die later opduikt te verjagen ( D )  Ook het zogenaamde absolute karakter van de Romein- se eigendom moet sterk worden gerelativeerd :  Eigendom was inderdaad een recht dat men (zoals alle andere zakelijke rechten) tegen alle ander personen kon inroepen (erga omnes)

15 Het eigendombegrip in het klassieke Romeinse recht (3)  Maar de Quiritische eigendom was zeker geen recht dat men onbegrensd (zonder beperkingen uit hoofde van een privaat of algemeen belang) kon inroepen  Voor het privaat belang waren bijvoorbeeld het burenrecht van ambitus of de plaats van circa 60 cm die men als doorgang moest laten tussen twee huizen, het confinium of de plaats die men tussen twee landerijen moest laten om met een kar te draaien en de aquae pluviae arcendae, zijnde de verplichting van elke eigenaar om het regenwater op zijn terrein te laten lopen en het niet in te dijken of te kanaliseren naar een bepaalde plaats (art. 640 B.W.)  Voor het algemeen belang waren er bijvoorbeeld de urbanisatie- voorschriften die de hoogte van de huizen bepaalden, het verbod om zonder de toelating van de overheid een huis in de stad af te breken om de materialen ervan te recupereren en het verbod van een te wrede behandeling van slaven omdat de staat er baat bij heeft dat niemand zijn eigen zaak kwalijk gebruikt. Daarnaast had de overheid de mogelijkheid van onteigening in het algemeen belang en de confiscatie en was de ondergrond niet beschermd : wie een mijngang vond mocht ze exploiteren mits een betaling van 10% aan de eigenaar van de bovenliggende grond en een tweede 10% aan de Staat

16 Het eigendombegrip in het klassieke Romeinse recht (4)  De vraag kan ook gesteld worden of de Quiritische eigen- dom een eeuwig recht was?  Het antwoord is positief als men hiermee bedoelt dat men de Quiritische eigendom niet tijdelijk of voorwaardelijk kon af- staan.  Maar er bestonden hierop wel uitzonderingen op dit eeuwig karakter, zoals 1° het feit dat de eigendom verdween wanneer een zaak een res sacra, een res nullius of een res publica (bijv. bij confiscatie) werd of 2° wanneer de eigenaar een zaak verloochende (res derelictae: zoals een dier dat schade toebracht) of 3° wanneer een goed werd onteigend  Algemeen besluit : er is geen sprake van identiteit tussen het klassiek Romeinse en het hedendaagse eigendoms- begrip. Ondermeer het individualistische, antisociale ka- rakter dat de marxisten in de 19 de en 20 ste eeuw aan het Romeinse eigendomsbegrip toedichtten, bestond niet

17 Voorwaarden en evolutie van de Quiritische eigendom  Dominium was voorbehouden aan bepaalde personen, namelijk de Romeinse burgers. Naderhand kwamen daar de Latijnen bij en vanaf de 3 de eeuw ook alle inwoners van het Romeinse rijk. Intussen moesten de perigrini zich behelpen met een perigrijnse eigendom die met een eigen actie werd beschermd  Aanvankelijk was - buiten de roerende zaken - alleen grond binnen Italië vatbaar voor dominium. Op de grond in de provincies bestond voor de gebruikers slechts een gebruiks- of genotsrecht. Het Romeinse volk of de keizer zou hier de eigenaar zijn geweest, wat toeliet om er be- lastingen te heffen. Mettertijd werd ook aan bepaalde en later alle provinciegronden dominium verleend  Quiritische eigendom moest tenslotte op de juiste wijze formeel zijn verworven, d.w.z. via mancipatio of in iure cessio voor de res mancipi. Indien dit niet het geval was kon de praetorische eigendom dit opvangen (zie verder)

18 Revindicatie in Romeinse recht (1)  Ter bescherming van dominium bestond in het klassieke Romeinse recht een eigen actie, reivindicatio genoemd  Deze revindicatie was er in de eerste plaats op gericht dat de rechter vaststelde dat de eiser eigenaar was. De eiser moest daarvoor het bewijs leveren van de juiste eigendomsverkrijging (zie verder)  Naast de vaststelling van eigendom beoogde de eiser doorgaans ook de afgifte van de zaak : hem ontbrak im- mer het bezit (possessio) van de zaak, want in het klassieke recht kon revindicatie slechts worden ingesteld tegen iemand die een door interdicten beschermd bezit had (zie verder). Wie alleen detentie (bezit voor een ander) had, kon niet worden aangesproken

19 Revindicatie in Romeinse recht (2)  Afgifte van een zaak op grond van een gewonnen revindica- tieproces kon echter in het klassieke recht niet rechtstreeks worden verkregen : een rechter kon er slechts veroordelen tot de betaling van een geldsom. Om de afgifte van de zaak dan wel te bekomen, nam de eiser in zijn vordering de eis op dat wanneer de eigendom door hem bewezen werd en de verweerder hem het goed niet spontaan in het bezit stelde (restitutieclausule), deze laatste zou veroordeeld zou worden tot een geldsom die de waarde van het goed vertegen- woordigde. Daar de eiser echter deze waarde onder ede zelf mocht schatten (litis aestimatio) en die normaal hoger schatte dan de eigenlijke waarde van het goed, volgde meestal de afgifte van het goed.  Vanaf Justinianus kon de eiser aan de rechter ook de recht- streekse afgifte van de zaak (desnoods manu militare) vragen

20 Revindicatie in Romeinse recht (3)  De verweerder-verliezer moest soms niet alleen de zaak of haar waarde teruggeven, maar ook alle bijkomstighe- den (res cum sua causa), zoals de vruchten van de zaak of hun waarde en een schadevergoeding voor verlies of waardevermindering  De verweerder-verliezer had dan anderzijds soms ten aanzien van de eiser recht op de terugbetaling van de kosten die hij voor de zaak had gemaakt. Het klassieke recht maakte daarbij een onderscheid tussen de noodza- kelijke, de nuttige en de willekeurige kosten  In welke gevallen de verweerder of de eiser hierbij moes- ten presteren hing dan weer af of de verweerder bezitter ter goeder trouw of ter kwader trouw was en dit voor of na het proces (wordt niet behandeld)

21 De actio publiciana (1)  Naast de revindicatie - als de typische eigendomsactie voor dominium - kende het Romeinse recht vanaf de 1 ste eeuw na Christus nog een hieraan verwante actie, de actio publiciana  Die actie beschermde diegene die geen dominium kon bewijzen, maar wel kon aantonen dat hij in de positie zat dat hij door middel van verjaring dominium zou ver- kregen hebben (zie verder) als hij intussen het bezit niet had verloren. Dit was bijvoorbeeld het geval wanneer een res mancipi bij wijze van traditio en niet bij wijze van mancipatio of in iure cessio was geleverd of wanneer een zijverwant bij praetorisch recht had geërfd. Het verlopen zijn van de verjaringstermijn werd daarbij ver- ondersteld.

22 De actio publiciana (2)  Als de eiser dit aantoonde had hij op dezelfde wijze succes als bij de revindicatie, d.w.z. ofwel afgifte van de zaak via de restitutieclausule, ofwel een veroordeling van de gedaagde tot de litis aestimatio  De positie van het-beschermd-zijn-door-de-actio Publici- ana werd door de Romeinse juristen doorgaans aan- geduid met de omschrijving dat men de betrokken zaak in bonis (letterlijk onder zijn goederen) had. De moderne historici van het Romeinse recht vonden deze term niet abstract genoeg om ze te gebruiken tegenover domi- nium en gebruiken daarom meestal de term bonitarische of praetorische eigendom

23 De actio publiciana (3)  Deze praetorische eigendom werd vanaf een bepaald ogenblik ook toegekend aan de bezitter ter goeder trouw, d.w.z. aan een persoon die zich werkelijk eigenaar waan- de, maar van een non domino (bijv. een huurder) had verkregen. In dit geval werkte die dan wel slechts relatief.  Naarmate uitzonderingen die de actio Publiciana dekte werden weggewerkt, verdween de noodzaak voor deze vordering. Justinianus handhaafde ze nochtans waardoor het in bonis hebben naast het dominium bleef voort- bestaan als een soort tweederangseigendom, die vanaf de 13 de eeuw quasi dominium werd genoemd. Uit die notie ontwikkelden de glossatoren later de notie van het dominium utile (zie verder)

24 Eigendom in de costumiere periode (1)  Onder invloed van het Germaanse recht, dat in de het begrip saisine zowel eigendom, bezit als zakelijke rechten vermengde (zie verder), het feodale stelsel dat na de verzakelijking van de lenen en cijnsgronden een soort eigendomsverschuiving teweegbracht van de oor- spronkelijke eigenaar naar de gebruiker ervan, het ont- staan van allerlei collectieve rechten op de grond en de praktijk van langdurige grondrenten en verpachtingen, ging het typische Romeinsrechtelijke eigendomsbegrip in de eerste middeleeuwen verloren.  Van een abstract, totaal en absoluut eigendomsrecht was toen absoluut geen sprake meer. Zelfs het woord eigendom of dominium bestond niet meer. 

25  Ook de revindicatie, zijnde de geëigende, burgerlijke vordering voor het opvorderen van eigendom tegenover iedereen, verdween. Eigendomsrechten werden nu be- schermd door strafvorderingen of bezitsvorderingen (zie verder)  De glossatoren en commentatoren pasten het Romein- se recht aan deze sociaaleconomische realiteit aan en stelden dat er op een grond meer dan één dominium kon bestaan, namelijk een dominium directum voor de leen- heer of cijnsheer en een dominium utile voor de leen- man, de cijnspachter en de erfpachter  Maar na een tijdje stelde zich wel de vraag wie nu de revindicatie kon uitoefenen tegenover derden of de an- dere: de cijnsheer/leenheer of de cijnspachter/leenman? Eigendom in de costumiere periode (2)

26 Eigendom in de costumiere periode (3)  Uiteindelijk kozen de legisten van de 13 de -14 de eeuw voor de cijnspachter/leenman en stelden zij dat dezen de echte “eigenaars” van het goed waren dus de revin- dicatie konden uitoefenen. De rechten van de leen- heer/cijnsheer werden dan, net zoals alle andere rechten op een onroerend goed, zakelijke rechten op andermans goed genoemd  Onder invloed van de school van het natuurrecht - die de “natuurlijke” bevoegdheid om met zijn zaak alles te doen wat men wou propageerde - werden deze zakelijke rech- ten steeds meer beschouwd als een last voor de vrije inzet van het (onroerend) goed. Gedurig vroeg men hun strikte interpretatie, beperking of zelfs afschaffing

27 Eigendom tijdens de Franse revolutie  Bij achtereenvolgende wetten in de periode schaften de Franse revolutionairen alle feodale rechten, kerkelijke tienden, burenrechten, eeuwigdurende grond- renten en andere lasten op de grond af … meestal zonder dat er enige vergoeding werd betaald  Deze vrijmaking van de grond, gekoppeld aan een natio- nalisering respectievelijke verkoop van de kerkelijke goe- deren (1/5 van alle grondbezit) en de goederen van de geëmigreerden en politiek veroordeelden, leidde ertoe dat de goederen in handen kwamen van veel meer personen dan voor 1789 zonder dat de ideale maatschappij van economisch of feitelijk gelijken werd gerealiseerd. Zoals in vele revoluties werd de strijd gevoerd door de onderste lagen in de samenleving … en profiteerde hiervan alleen een beperkte toplaag

28 Eigendom in de Code Napoléon (1)  De eigendom (art ) werd er, zoals in het Romei- nse recht, netjes onderscheiden van de andere zakelijke rechten (art ), de persoonlijke rechten of schuld- vorderingen (art e.v.) en het bezit (art B.W.)  De “bourgeoisie” (maximum 5% van de bevolking) die tijdens de Franse revolutie aan de macht was gekomen, verzilverde zijn macht in de C.C. Dit gebeurde niet zozeer in de (archaïsche) tekst van het art. 544 B.W. wetboek - die zo weinig zeggend is dat hij nog steeds bestaat - maar door het gedachtegoed over eigendom dat bij het ontstaan van de C.C. en de jaren daarna werd gelanceerd en waarin de private eigendom werd voorgesteld als een totaal onafhankelijk recht dat de wet eerder moest beschermen dan beperken

29 Eigendom in de Code Napoléon (2)  De kenmerken van dit liberale eigendomscon- cept waren :  Eigendom is er abstract opgevat : men vindt er geen uitputtende opsomming van bevoegdheden  Eigendom is er totaal : 1° er is maar één eigendom: naast eigendom bestaan er maar zakelijke rechten op andermans zaak en er is maar één eigenaar van de zaak (het geval van gedwongen medeeigendom door erfenis niet meegerekend) en 2° in eigendom zitten alle zakelijke rechten  Eigendom is er absoluut : 1° het geldt erga omnes en 2° de eigenaar beschikt onbeperkt over zijn goed voor zover de wet geen beperkingen oplegt

30 Eigendom in de Code Napoléon (3)  De gevolgen van deze eigendomsopvatting :  Eeuwige rechten op eigendom werden uitgesloten. Bijv. het langste zakelijke recht (opstal) kan maar 99 jaar (drie mensenlevens) meegaan (ter vrijwaring van totaliteit in 1 ste betekenis)  Mede-eigendom werd doelbewust niet of contraproductief (bijv. art. 815) geregeld (ter vrijwaring van totaliteit in 1 ste betekenis)  Gebruik van eigendomsrecht ten nadele van andere was mogelijk (ter vrijwaring van absoluutheid in 2 de betekenis)  Clausules van onvervreemdbaarheid werden beschouwd als zijnde tegen de openbare orde (ter vrijwaring van absoluutheid in 2 de betekenis)

31 Eigendom in de 20 ste eeuw (1)  Het waren vooral het eerste aspect van het totale karakter en het tweede aspect van het absolute karakter die kritiek kregen in de 20 ste eeuw  Ondanks de pogingen van het socialisme (Marx, Engels, Proudhon, Bakounine) om de private eigendom af te schaffen bleef hij bestaan, zij het met grote beperkingen ten voordele van zijn “maatschappelijke functionaliteit”. Die beperkingen gebeurden :  Enerzijds door de wetgever (fiscale maatregelen, huur-; pacht- en handelshuurwetgeving die de fructus aantastten, ruimte- lijke ordening, nationalisaties, voorkooprechten, milieuwetge- ving, wetten in verband met openbare nutsvoorzieningen)  Anderzijds door de rechtspraak, vooral door het toepassen van de theorie van het rechtsmisbruik (artikel 1382 B.W.)

32 Eigendom in de 20 ste eeuw (2)  Ten tweede zorgde de wetgever ook voor een grotere bescherming van de eigendom door het toekennen van landbouw- of andere productiviteitspremies, bouwpremies of verzekering tegen ongevallen (oorlogsschade, rampen)  Ten derde breidde de eigendom zich heel sterk uit door het scheppen van allerlei vormen van intellectuele eigendom zoals het auteursrecht, octrooien, fabrieksmerken, teke- ningen en modellen, handelsfondsen  Ten slotte ontstonden er dergelijke complexe juridische verhoudingen tussen bepaalde personen dat het niet meer duidelijk is wie de eigenlijke eigenaar is. Bijv. Wie is nu de eigenaar van het handelsfonds bij franchising : de franchi- segever of -nemer?


Download ppt "Het begrip eigendom Eindversie 12.. Begrip eigendom  Uitgangspunt: artikel 544 B.W.  Vraagstelling  Algemene evolutieschets  Eigendom in het klassieke."

Verwante presentaties


Ads door Google