De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

Verkiezingen en kiesstelsels 3.1 Het Nederlandse kiesstelsel 3.2 Representatie en representativiteit 3.3 Parlementair en presidentieel stelsel 3.4 De verkiezingen.

Verwante presentaties


Presentatie over: "Verkiezingen en kiesstelsels 3.1 Het Nederlandse kiesstelsel 3.2 Representatie en representativiteit 3.3 Parlementair en presidentieel stelsel 3.4 De verkiezingen."— Transcript van de presentatie:

1 Verkiezingen en kiesstelsels 3.1 Het Nederlandse kiesstelsel 3.2 Representatie en representativiteit 3.3 Parlementair en presidentieel stelsel 3.4 De verkiezingen en formatie

2 • Geschiedenis kiesrecht  censuskiesrecht mannen  algemeen kiesrecht mannen  algemeen kiesrecht vrouwen • Actief vs. Passief kiezen of gekozen worden • Uitsluiting: rechterlijk ontzet of onbekwaam • 4 niveaus Europees, landelijk, provinciaal, gemeentelijk • Voorwaarden politieke partij - ingeschreven in kiesdistricten (19) - per kiesdistrict 25 handtekeningen - waarborgsom (450 – 75% = terug) Verkiezingen en kiesstelsels 3.1 Het Nederlandse kiesstelsel 3.2 Representatie en representativiteit 3.3 Parlementair en presidentieel stelsel 3.4 De verkiezingen en formatie

3 Verkiezingen en kiesstelsels 3.1 Het Nederlandse kiesstelsel 3.2 Representatie en representativiteit 3.3 Parlementair en presidentieel stelsel 3.4 De verkiezingen en formatie • Evenredige vertegenwoordiging % behaalde stemmen = % zetels • Kiesdeler aantal stemmen benodigd voor één zetel • Kiesdrempel [niet in NL] minimumpercentage voor zeteltoewijzing • Districtenstelsel - één ronde. Meeste stemmen = afgevaardigde - vb. House of Commons (EN) (650 districten) • Meerderheidsstelsel - max. 2 rondes. - na ronde 1 niet één afgevaardigde met >50%? - ronde 2: 2 ‘grootste’ kandidaten als enige opties - grootste is dan afgevaardigde • Evenredig vs. Districten - fractiespecialisten vs. generalisten - evenredigheid vs. je afgevaardigde ‘kennen’ • Lijsttrekkers

4 Verkiezingen en kiesstelsels 3.1 Het Nederlandse kiesstelsel 3.2 Representatie en representativiteit 3.3 Parlementair en presidentieel stelsel 3.4 De verkiezingen en formatie • Representatie:Vertegenwoordiging 225 parlementsleden <> Nederlanders • Representativiteit standpunten van vertegenwoordigers komen overeen met dat wat de kiezers willen • Ostrogorski-paradox Moissei J. Ostrogorski (RUS) (politicoloog) spanning tussen: - wat kiezers(groepen) willen en - wat de door hen gekozen politici doen / besluiten spanning  weestand / protest • Knelpunten (anders dan bovenstaande) - stemmen “zonder last of ruggespraak” - niet-stemmers die wél van zich laten horen - vertegenwoordiging van de samenleving? - bestaande partijen halen geen meerderheid meer * zwevende kiezers / electorale volatiliteit

5 Verkiezingen en kiesstelsels 3.1 Het Nederlandse kiesstelsel 3.2 Representatie en representativiteit 3.3 Parlementair en presidentieel stelsel 3.4 De verkiezingen en formatie • Parlementair - volksvertegenwoordiging = parlement - parlement vormt regering - minister-president = hoofd regering - minister-president ≠ staatshoofd • Presidentieel - president = gekozen door het volk - president = staatshoofd - president = hoofd regering - president stelt regering samen - parlement kan regering niet ontslaan - president kan parlement niet ontslaan - parlement kan president uit ambt zetten (ivm schending grondrecht) President Ts.Elbegdorj

6 Verkiezingen en kiesstelsels 3.1 Het Nederlandse kiesstelsel 3.2 Representatie en representativiteit 3.3 Parlementair en presidentieel stelsel 3.4 De verkiezingen en formatie • Verkiezingsstrijd - Gemeenteraad - om de 4 jaar - Provinciale Staten - om de 4 jaar - Tweede Kamer – om de 4 jaar - Eerste Kamer – om de 4 jaar (binnen 3 mnd na PS) - Partijprogramma = verkiezingsprogramma - Vóór en tijdens verkiezingen: polarisatie (uitdiepen van tegenstellingen) - Na verkiezingen: compromisbereidheid (onderhadenlingen) • Kabinetsformatie - verkiezingsuitslag grootste partij krijgt de leiding bij formeren - coalitievorming gezamelijke meerderheid bij politieke partijen: * regeringsverantwoordelijkheid nemen *dagelijks bestuur ~landelijk (kabinet) ~provinciaal (gedeputeerde staten en C der K) ~gemeentelijk (B&W)

7 Verkiezingen en kiesstelsels 3.1 Het Nederlandse kiesstelsel 3.2 Representatie en representativiteit 3.3 Parlementair en presidentieel stelsel 3.4 De verkiezingen en formatie • Proces van kabinetsformatie 1.TK benoemd ‘verkenner’ (2012  H. Kamp (VVD)) NIET meer naar het staatshoofd, maar de verkenner gaat overleggen en bekijken wie met wie gaat praten 2.TK benoemd ‘informateur’ (2102  Kamp & Bos) - iemand die uitzoekt hoe partijen samen een beleid zouden kunnen maken met voldoende steun van TK 3.TK benoemd ‘formateur’ (2012  M. Rutte) - onderhandeld met deelnemende partijen over: * regeerakkoord (hoofdleiding beleid) * verdeling ministeries/functies over partijen * de te benoemen bewindspersonen 4.Benoeming en beëdiging kabinet - zuiveringseed door staatshoofd - foto op trappen Paleis ten Bosch 5.Kabinet presenteert zich en plannen aan TK - Plannen = regeringsverklaring • Val van een kabinet

8 Verkiezingen en kiesstelsels 3.1 Het Nederlandse kiesstelsel 3.2 Representatie en representativiteit 3.3 Parlementair en presidentieel stelsel 3.4 De verkiezingen en formatie


Download ppt "Verkiezingen en kiesstelsels 3.1 Het Nederlandse kiesstelsel 3.2 Representatie en representativiteit 3.3 Parlementair en presidentieel stelsel 3.4 De verkiezingen."

Verwante presentaties


Ads door Google