De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

Hoofdvraag: Hoe kon het dat de Republiek in de 17 e en 18 e eeuw een zo lange periode van welvaart meemaakte? © 2010/2011 drs Ardy W.J. Biemans.

Verwante presentaties


Presentatie over: "Hoofdvraag: Hoe kon het dat de Republiek in de 17 e en 18 e eeuw een zo lange periode van welvaart meemaakte? © 2010/2011 drs Ardy W.J. Biemans."— Transcript van de presentatie:

1 Hoofdvraag: Hoe kon het dat de Republiek in de 17 e en 18 e eeuw een zo lange periode van welvaart meemaakte? © 2010/2011 drs Ardy W.J. Biemans

2 Het voorspel: Nederland in de 15 e en 16 e eeuw 15 e eeuw: De Nederlanden soort politieke eenheid door: 1.Steden en samenwerking daartussen 2.Hertogen van Bourgondië die probeerden de Nederlanden in bezit te krijgen Begin 15 e eeuw Les Pays Bas/De Lage Landen eigendom van de hertogen van Bourgondië Filips de Goede ( ): centralisatiepolitiek a.één muntstelsel b.belastingbede aan S-G (1464, Brugge) Karel V (vorst ) werd ook koning van Habsburgs Spanje en Oostenrijk en reorganiseerde het centrale gezag met een landvoogd(es) als plaatsvervanger in Brussel. Bedes en in 1542 nieuwe accijnzen die de gewesten méér opleverden dan het centrale gezag.

3 De Reformatie/Hervorming Protestantisme had veel aanhang in de noordelijke Nederlanden, maar Karel V en opvolger Filips II waren streng katholiek: vervolging … Conflict: Nederlanden/Spanje 1.centralisatiepolitiek 2.godsdienstvervolging 3.belastingdruk : De Opstand/Tachtigjarige Oorlog 1579 Unie van Utrecht 1581 Plakkaet van Verlatinge 1588 Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden (8 gewesten: Holland-Zeeland-Friesland- Groningen-Overijssel-Gelderland-Utrecht en Drenthe, dat geen plaats in de SG heeft)

4 Holland eind ME: ingeklonken veengrond, dat méér dan een half jaar onder water stond: voedselprobleem en steden géén partij voor de Vlaamse steden (Brussel, Antwerpen) en de IJsselsteden (Zutphen, Deventer, Zwolle, Kampen). Graan: na 1450 uit Oostzeegebied (Baltische staten en Polen) géén Malthusiaanse spanningen, zoals in de rest van Europa! Graanhandel was voor Holland de moedernegotie, de eerste en belangrijkste vorm van handel! Oostzeehandel: internationale contacten, maar ook oorlogen met Hanzesteden en Zweden: de Sontoorlogen in de 17 e eeuw! (zie later ook het fluitschip in relatie tot de Sonttol!)

5 16 e eeuw: specialisatie in de landbouw (veengrond/moedernegotie) I.Specialisatie in zuivel – vetweiderij – handelsgewassen II.Kapitaalintensieve landbouw III.Technische vernieuwingen, bv windmolens (waterpeilbeheersing) Grote zelfstandigheid van de boeren (waterschappen/adel) en urbanisatie Verschillen met oosten/zuiden Republiek • traditionele, autarkisch ingestelde boerengemeenschappen • productie voor zichzelf en lokale markt • feodale traditie met sterke adel HOLLAND EN ZEELAND in de 15 e en 16 e eeuw: Handel, textiel, trafieken, scheepvaart, scheepsbouw, visserij … Trafiek: het veredelen van grondstoffen tot een eindproduct, bv suikerraffinage, koffiebranderij, zoutziederij.

6 Oorzaken economische groei in Hld en Zld  Groei van de vraag in Hld en Zld door bevolkingsgroei, urbanisatie, immigratie en commercialisering van de landbouw  Profijt van de groei van Brugge, Gent en Antwerpen (bv levering landbouwproducten en grondstoffen aan Antwerpen; overslag Antwerpse producten in A’dam (stapelmarkt); Frans graan en wijn via Middelburg naar Antwerpen; Arnemuiden als voorhaven Antwerpen (grote schepen konden de Schelde niet op: overlading in Arnemuiden)  Geografisch gunstige ligging Hld en Zld: verbinding oosthandel/westhandel  Sterke ontwikkeling scheepsbouw in de 16 e eeuw  Gunstige omstandigheden in Hld en Zld: zwakke gilden  Visserij: haringbuizen en haringkaken haringbuis met vleet haringkaken

7 De opkomst van Amsterdam In de 16 e eeuw neemt A’dam de handelspositie van Antwerpen over: • last Spaanse bezetting • faillissementen Antwerpse bankiers door Spaanse bankroet, 1557 en 1575 • Spaanse Furie, 1576 Eind 16 e eeuw: omschakeling Antwerpen naar A’dam (zie ook hierboven): • 1585 Parma herovert Antwerpen: Hld en Zld sluiten de Scheldemond af • gunstige econ. ontwikkeling in Hld en Zld • na 1585 Antwerpse kooplieden naar A’dam (kapitalisme en stapelmarkt) en zuidelijke protestanten (bv Plancius) • gewestelijke en stedelijke invoerrechten vaak door ontdoken In Hld en Zld langzaam wat méér eenheid, mn door waterschappen, econ. eenheid door koopman-regentenfamilies. Verder nog particularisme troef! Maak de vragen 2 t/m 6 van H1. Partenrederij: ondernemingsvorm waarbij het schip eigendom is van een aantal mensen die allemaal een deel (=part) van het schip bezitten.

8 De Gouden Eeuw: de Republiek 1585–1672 (hoofdstuk 2 én 3 van Geschiedenis Werkplaats!!!) Europa: absolutistische vorsten Republiek: statenbond : gewestelijke staten (particularisme) en alleen defensie/ verdediging en buitenlandse politiek door de Staten-Generaa l te Den Haag. Ook bestuurde de SG de op Spanje veroverde gebieden Zeeuws Vlaanderen, Noord- Brabant en delen van Limburg: de Generaliteitslanden. Belangrijkste functies: de raadpensionaris/landsadvocaat van Hld en de stadhouder (2 stuks altijd leden van het Huis van Oranje, Friese en Hollandse tak). Steden: regenten en steden domineerden de Gewestelijke Staten. Het staatsbestel van de Republiek Staten-Generaal Raad- pensionaris Stadhouder Bestuur gewest PlattelandsbestuurStadsbestuur

9 Een bloeiperiode, een Gouden Eeuw Economische bloei zette zich voort (zie oorzaken Hld en Zld), nu versterkt door: 1.grotere, risicovolle ondernemingen (niet alleen op bestelling, maar ook voor eigen rekening voor de vrije markt) 2.groei wereldhandel/wereldeconomie met handelsposten en koloniën Architectuur Vooral na 1590: waaggebouwen, koopmanshuizen, stadhuis op de Dam (1655, sinds 1808 koninklijk paleis) Schilderkunst Opdrachtgevers: rijke burgers/kooplieden, stedelijke overheden en instellingen … Rembrandt van Rijn, Jan Steen, Johannes Vermeer Wetenschap Wetenschappelijke Revolutie, met OER-principe, methodisch onderzoek en kritisch redeneren, bv Christiaan Huygens (ringen van Saturnus, maan Titan, slinger van de klok) - Christiaan Huygens - Stadhuis A’dam - “Huishouden van Jan Steen” - Johannes Vermeer - Rembrandt van Rijn, de koning van Het Licht

10 Veranderingen in de landbouw in de Gouden Eeuw 1. Commercialisering van de landbouw gaat verder … goedkoop graan Oostzeegebied. Intensieve verbouw van handels-en tuinbouwgewassen, mede dankzij veeteelt (mest). Na 1650 daling landbouwprijzen, alerte reactie: • extensivering • vergroting efficiency • specialisatie in ‘sterkere’ producten bv vetweiderij Keuterboertjes wel vaak failliet… 2. Investeringen in de infrastructuur/landaanwinning/turfwinning Rijke burgers steken kapitaal in: • infrastructuur, bv trekvaarten (660 km) – vaste dienstregeling (ook passagiers, 1632 A’dam-Haarlem): voordeel vaste snelheid. • landaanwinning: Beemster, Wormer, Schermer, drooggelegd (resp 1612, 1624, 1635) met de molengang molengang • turfwinning (laagveen in Z-Hld, later hoogveen in Gro, Fri en Dr., warmte – én energiebron (suikerraffinage, koffiebranderijen, jeneverstokerijen)

11 Veranderingen in de nijverheid in de Gouden Eeuw 1.Na 1585 stijgende vraag naar nijverheidsproducten in Europa. In de Republiek door: a) groeiende bevolking en stijgende welvaart waardoor de vraag stijgt b) minder autarkisch gedrag van de boeren: behoefte aan andere producten. Investeringen in de nijverheid waren goed mogelijk door 1) ruime beschikbaarheid van kapitaal tegen lage rente en 2) tegen 1600 lijkt de Opstand geslaagd: vertrouwen! 2.De Amsterdamse stapelmarkt bevorderde de nijverheid: voldoende grondstoffen en exportmogelijkheden, bv suikerraffinage ZA-suiker, trafieken voor zout (haring) en walvistraan (zeep) 3.Val van Antwerpen en 2e Spaanse Furie (1585) had belangrijke gevolgen voor de econ. van de noordelijke Nederlanden a) kapitaal en kennis b) nieuwe bedrijfstakken (linnen, wol, zijde) en c) grote technische kennis en kunde geschoolde arbeiders. 4.Hier profiteert de scheepbouw weer van: 1595 het fluitschip met het kleine dek (Sonttol per m2 dek). Scheepsbouw was goedkoop ondanks relatief hoge lonen door a) lage invoerrechten op hout, de technische voorsprong en lage belasting en b) standaardisatie door grootschaligheid. En hier profiteren weer andere bedrijfs- takken van als touwslagerijen, zeilmakerijen, houtzagerijen, wapenindustrie (!) 5.Andere gunstige factoren : goede verbindingen en goedkope energie (wind en turf) en zwakke gilden die als heel beperkend werden ervaren: trafieken en manufacturen (werkplaatsen met veel loonarbeiders) vereisten arbeidsdeling, flexibiliteit en een meer kapitalistische werkgever/werknemer-relatie ipv de patriarchale persoonlijke verhoudingen van de gilden. Méér kans op conflicten, maar geen sterke vakbonden: veel concurrentie en ‘onderkruipende’ immigranten. Eind 16 e eeuw ook veel kinderarbeid (misbruik) door hele lage kosten!

12 Veranderingen in de handel, scheepvaart en visserij in de Gouden Eeuw A’dam bloeit als stapelmarkt (val Antwerpen/geografische ligging) Bulk als graan, maar ook luxeproducten (suiker/specerijen). Centraal punt in A’dam, vlak bij de Dam lag de KOOPMANSBEURS (koop/verkoop – verzekeringen – leningen – huren van schepen en pakhuizen enz). Vlak daarbij de WISSELBANK (wisselen en goedkoop lenen) en de minder belangrijke Bank van Lening/Lommerd, waar je geld kon lenen tegen onderpand. Wisselbrieven: koper verplicht zich op een bepaalde plaats en tijd in de toekomst de koopsom te betalen, dus in feite een tijdelijk krediet. Ook in wisselbrieven werd gehandeld. Gunstig was de sterke groei van de koopvaardij- of handelsvloot (grootste van Europa) met Oostzeegebied (hout en graan), Fra (zout), Rusland (leer, bont en kaviaar, vooral door verhandeld). Vrede was gunstig voor de handel.

13 De VOC “Peperdure” specerijen (peper, kruidnagels, muskaatnoten, foelie) : Compagnieën van Verre (éénmalig), in 1602 door Johan van Oldebarnevelt verenigd tot de VOC (concurentie). Eerste “NV” opgericht door S.G. met aandeelhouders (1 e multinational): -monopolie t.o. van KdGH -soevereine rechten in Azië (verdragen met vorsten, oorlog voeren, forten bouwen) -maar moet dit zélf bekostigen VOC bestuurd door Heeren XVII met Zes Kamers (A’dam, Zld, R’dam, Delft, Hoorn en Enkhuizen) De WIC – 1621 (NB: einde 12-jarig bestand) Eind 16 e : Hldse schepen naar Caraïben door embargo Filips II op handel met Portugal (geen zout meer uit Portugal) : DRIEHOEKSHANDEL Rep-West-Afr.-Amerika -monopolie transatlantische handel van SG Hldse nijverheidsproducten – slaven, goud en ivoor – suiker, koffie, cacao, tabak. Bont en zout rechtstreeks uit Amerika gehaald! En natuurlijk kaapvaart (1621!), met Piet Hein in 1628 als bekendste held.

14 Haring was de belangrijkste vorm van visserij: de grote visserij, kleine visserij bijv. kabeljauw. In 1614 werd de Noordse Compagnie opgericht: alleenrecht/monopolie op het jagen op robben en walvissen (baleinen, wervels en vooral traanolie (uit het spek): braad- en lampolie en zeep (in zeepziederijen). In 1642 NC opgeheven en walvisvaart verder particulier ondernemerschap. HET ZUIDEN EN OOSTEN VAN DE REPUBLIEK IN DE GOUDEN EEUW Economische achterstand op het westen door: - matige verbindingen (ondanks de trekvaarten) - autarkisch gedrag van de boeren (kleine gemengde bedrijven, met paar dieren voor de mest) - veel zandgrond, goed voor rogge, maar graan was al goedkoop (Oostzeegebied) Soms wat samenwerking met het westen : - keuterboeren bij Amersfoort en Arnhem produceerden tabak, als aanvulling op Amerikaanse tabak, - omstreeks 1650 plaatsen Leidse lakenfabrikanten de wolweverij naar Tilburg: “een lage-lonen-gebied”, - keuterboertjes met eigen weefgetouw produceerden m.n. in de winter wol voor rondtrekkende kooplieden: huisnijverheid, - omstreeks 1650 laten Haarlemse kooplieden hun linnengaren spinnen in de huisnijverheid van de Meierij (bij Den Bosch), ook i.v.m lagere lonen, - hier en daar wat specifieke nijverheid, zoals papiernijverheid op de Veluwe. keuterboer sprokkelt hout walvisvaart, niet zonder gevaren

15 Traankokerij van de Noordse Compagnie op Spitsbergen Cornelis de Man, Links wordt een walvis geflenst (in stukken gesneden), op de tafels worden de stukken spek klein gehakt, daarna gekookt in de traanovens (rechts). Daarna nog gezuiverd en in vaten gedaan. Het vet werd gebruikt voor zeep, kaarsen, smeermiddelen, lampolie. De wervels werden gebruikt als fundering voor huizen, de baleinen bij de dakbedekking.

16 Politiek in de Gouden Eeuw Buitenlandse politiek en verdediging was in handen van de SG, verder overheerste het particularisme, met vooral het behartigen van het eigenbelang. Overzeese handel: hoeksteen van de welvaart bevordering: -in havens heffing konvooi en licentiegelden : bekostiging oorlogsschepen die de koopvaardijvloot moesten beschermen. -verlenen van monopolies: bundeling krachten. De overheid steunde de ondernemers, want de onderlinge afhanke- lijkheid was groot … a.gunstige regels/aantrekkelijke voorwaarden b.overheid grootste opdrachtgever van het bedrijfsleven (mn leger en vloot) c.overheid was grootste schuldenaar bij de ondernemers d.bij sociale conflicten kozen de overheden de kant van de ondernemers In 1621 (einde Twaalfjarig Bestand) werd de handelspolitiek van de Republiek agressiever: -kaapvaart (Piet Heyn, 1628, buit 10,5 miljoen gulden) -stelselmatig proberen zwakkere omringende landen klein te houden, bv dmv discriminerende tariefpolitiek (zo was export van wol naar Zuidelijke Nederlanden twee maal zo duur als naar andere landen. Doel: Vlaamse textielindustrie treffen!) Piet Heyn (of Piet Hein) zeeheld of piraat? Piet Heyn, al wasser sijne naeme Kleyn sijn daden nochtans waren uyttermate Groot gelijck bleek uyt het veroveren van de Silveren vloot

17 Prins Maurits van Oranje ( ), stadhouder van Hld, Zld, Gelre, Utrecht, Overijssel, Groningen en Drenthe De internationale situatie In de eerste jaren van de Opstand tegen Spanje kon de Republiek interne stabiliteit bereiken, haar strategische positie uitbouwen en een overheersende rol gaan spelen in handel en scheepvaart. -stadhouder Maurits verovert veel (43) steden in zuiden, oosten en noorden waardoor Hld en Zld minder geïsoleerd zijn -Spanje had ook andere vijanden (Eng, Fra, Turkse Rijk) -Eng en Fra huurden schepen van de Republiek omdat ze hun eigen schepen voor de oorlog nodig hadden -30 jaar godsdienstoorlogen in Fra (hugenoten) Oorlogen kost je handelspartners, maar biedt weer andere mogelijkheden, bv specerijenhandel via Antwerpen stokte door de oorlog: A’dam en de VOC profiteerden! Het Twaalfjarig Bestand ( ) was economisch gunstig: -Hollandse schepen weer in Spaanse en Portugese havens -Geen Spaans-Portugese kaapvaart meer vanuit Duinkerken Rond 1620 lange Europese economische crisis, waaraan ook de Republiek niet ontkwam … en na 1621 werd de oorlog voortgezet! -uitbreiding Vlaamse kapersvloot (1626-’34 brachten Duinkerkers 300 Hldse schepen tot zinken en 1500 kapingen!) -dit leidde tot veel hogere verzekeringspremies (dus hogere kosten en slechtere concurrentiepositie) -hernieuwde oorlog met Spanje en Portugal was ook slecht voor de handel met het Oostzeegebied (geen zout, zuidvruchten, wijn, olijfolie meer voor de heenreis: Duitsers, Denen en Noren gaan die zaken nu zelf halen in Z-Europa)

18 Compensatie van deze teruggang: 1.toename van de koloniale handel (VOC/WIC) 2.groeiende vraag naar landbouwproducten in Dld en de Zuidelijke Nederlanden (legers) 3.bloei Leidse en Haarlemse textiel, dankzij de Dertigjarige oorlog (vernietiging Duitse textielsteden) 1644 onderhandelingen in Munster tussen de Habsburgers (Spanje en Oostenrijk) en de Republiek, Frankrijk en Zweden 1648 Vrede van Munster/Westfalen, het einde van de Tachtigjarige Oorlog en de Dertigjarige Oorlog. Na de Vrede zie je positieve en negatieve ontwikkelingen: Gunstig: a.definitieve opheffing Spaans handelsembargo: groei handel met Zuid-Europa en de transatlantische handel b.opleving van de handel in hoogwaardige producten als specerijen en fijn laken c.Frankrijk verkreeg in 1662 Duinkerken, waardoor de Vlaamse kaapvaart eindigde : economisch hoogtepunt van de Gouden Eeuw!!! Ongunstig: a.handel in Oostzeebulk liep terug (Pools graan werd duurder) b.protectionisme/mercantilisme van Engeland en Frankrijk, bv Acte van Navigatie (Navigation Act, 1651): veel producten mogen alleen nog in Engelse schepen naar Engeland worden vervoerd, en Frans mercantilisme.

19 Ook de Engelse Oorlogen kostten de Nederlanders heel veel: Eerste en Tweede Engelse Oorlog ( / ) eindigden onbeslist maar leverden de Nederlanders veel schade en verliezen op Eerste Stadhouderloze Tijdperk, stadhouder Willem II stierf aan de pokken, nog voor zijn zoon Willem III geboren was: raadpensionaris Johan de Witt, is de leider van de Republiek. Als Hollander veel aandacht voor de vloot, maar niet voor het landleger; desastreus in het rampjaar 1672 wanneer Engeland, Frankrijk, Keulen en Munster de Republiek aanvallen (doel: vernietigen economische positie): aanvankelijk grote schade voor de Republiek, maar stadhouder Willem III weet met Hollandse en Zeeuwse steun een goed landleger op de been te brengen: oorlog onbeslist! In dit Rampjaar van de Hollandse Oorlog werd De Witt samen met zijn broer Cornelis (pensionaris van Dordrecht) te Den Haag door Orangisten gelyncht. (zie verder volgende dia) Johan de Witt

20 Schilderij, eind 17 e eeuw, toegeschreven aan Jan de Baen Inscriptie op de achterzijde van het schilderij: Dit sijn de lijcken van Jan ende Cornelis de Witt door een voornaem schilder naer het leeven afgeschildert soo als deselven des avonts ten elff ueren noch aenden wip hingen. Cornelis is die geene sonder pairuque. Jan de Witt met sijn eijgen hair. Dit is het eenichste principaal naer het leven gedaen den XX augusti MDCLXXII en daerom veel gelt waerdich. “ 1672…Rampjaar: het volk is redeloos, radeloos, reddeloos. Johan de Witt wordt door het gepeupel op het Groene Zoodje in Den Haag vermoord!” De Witt kreeg een nekschot; zijn lijk werd ontkleed, ondersteboven opgehangen, ontmand en ten dele opgegeten. Zijn hart werd door Dirck Verhoeff uit het lichaam gesneden en samen met het hart van zijn broer nog jaren tentoongesteld. De duim en tong van de gebroeders de Witt zijn nu te vinden in het Haags Historisch Museum. Het standbeeld van Johan de Witt op de Plaats in Den Haag verwijst met zijn vinger naar de plek waar hij en zijn broer gelyncht zijn: het Groene Zoodje (de vaste standplaats van het schavot). Hoewel er meer aanwijzingen zijn voor een meer directe betrokkenheid van de Prins van Oranje bij deze moord op de gebroeders De Witt, werden deze van officiële zijde nooit afdoende onderzocht. Wel kan worden vastgesteld dat de prins ervoor zorg droeg dat de moordenaars niet werden vervolgd. Integendeel, zij werden beloond met jaargelden en ambten. (bron:wikipedia)

21 SOCIALE VERHOUDINGEN IN DE GOUDEN EEUW • de stad had een verzorgende functie voor het platteland (notaris, advocaat, chirurgijn) • het westen vormde een tamelijk open, mobiele samenleving (stijgingskansen), het oosten was méér star • sociale lagen: de gegoede burgerij (10%), de grote ondernemers met als toplaag de regentenfamilies de kleine burgerij (25%) met o.m. predikanten, leraren, winkeliers en rijke ambachtslieden de volksklasse (60-70%), de rest van de burgers die het redelijk goed hadden zolang het economisch goed ging In het Oosten was er nog de adel, met beperkte macht, maar veel aanzien en sommige rijke families, die rijk bleven door net als de gegoede burgerij succesvol te investeren. de chirurgijn behandelt een gekwetste voet…

22 De armenzorg In de Republiek was een goed stelsel van armenzorg en liefdadigheidsinstellingen door stedelijke overheden en kerkelijke instellingen. Financiële basis: onteigening van bezittingen van de RK-kerk. Armen leefden van de bedeling mn in de winter onder- steuning in geld of natura (voedsel, kleding, brandstof). Er waren weeshuizen, gasthuizen (=ziekenhuizen), hofjes (kleine huisjes voor bejaarden), dolhuizen (krankzinnigengesticht), oudemannenhuizen, maagdenhuizen (weesmeisjes). Er gold een ijzeren discipline en mensen moesten hard werken voor de steun! Gezinnen In steden en gebieden met gespecialiseerde landbouw leefden men in kerngezinnen ; op het platteland en de Generaliteitslanden overheerste het uitgebreide gezin (extended family) (gezin+grootouders en broers/zussen). Door gebrek aan bestaansmiddelen zie je: 1.sterke migratie van platteland naar stad 2.relatief hoge huwelijksleeftijd (v/m resp 25/26,5 jr) 3.groot aantal ongehuwden Huwelijken vaak door de twee betrokken families gearrangeerd, maar in de Hldse steden wat vrijere partnerkeuze in de eigen soc-econ/religieuze groep. in het dolhuis… kerngezin in de regentenklasse

23 Die vrijere partnerkeuze leidde tot een betere positie van de vrouwen. In Hld mochten vrouwen scheiden en werden na scheiding (of dood man) weer handelingsbekwaam. In veel gezinnen was de vrouw betrokken bij de bedrijfsvoering. Er was relatief veel vrouwenarbeid (dienstmeid, landbouw, liefdadigheid, turfsteken, textiel) en behoorlijke groep vrouwen kan lezen en schrijven. De sterke positie van vrouwen tov het buitenland was opvallend. Immigratie (naar mn Hollandse steden) • na 1585 (Val Antwerpen) zuidelijke Nederlanders (econ. en godsdienstige motieven) • na 1620 protestanten uit de Duitse gebieden door de Dertigjarige oorlog (godsd. motief, vaak erg arm) • duizenden joden (na 1585 in Z-Ned levende Portugese joden (Sefardische joden) en na 1620 vooral uit Dld en Polen (Azhkenazische joden) • dissenters uit Engeland, die vonden dat de Anglicaanse kerk te katholiek was gebleven. Vele immigranten uit economische motieven: de transmigranten die maar beperkte tijd bleven (VOC, WIC en vloot) en seizoenarbeiders uit Dld in de grensstreken. Mede door een tekort aan arbeidskrachten en de tolerantie waren de meeste migranten welkom in de Republiek… lezende vrouw Rembrandt, ‘t Joodse bruidje (fragm)

24 Wél was er wat wantrouwen tegenover de joden (eigen religie en taal, en herkenbaar) en angst voor economische concurrentie: 1.Joden mochten geen lid worden van de gildes, dus actief als geldhandelaar, diamantbewerking, marskramer, venter of lompenhandelaar en in de nieuwe trafieken die geen gildes kende zoals suikerraffinage. 2.in sommige steden mochten joden niet trouwen met christenen 3.bouwen synagoge was niet altijd toegestaan (eerste in A’dam in 1639) 4.joden nogal eens slachtoffer in stadsoproeren. In de steden was het sterftecijfer hoog, soms hoger dan geboortecijfer, maar na 1590 sterke groei van de steden dankzij de immigranten. In de tweede helft van de 17 e eeuw daalde het aantal immigranten (behalve Franse hugenoten) waardoor de groei in de Hldse steden afnam. OPDRACHTEN uit je BOEK HAVO: hfdst. 2 toepassingsvragen 1 t/m 6 hfdst. 3 toepassingsvragen 1 t/m 7 VWO: hfdst. 2 toepassingsvragen 1 t/m 7 hfdst. 3 toepassingsvragen 1 t/m 7 Portugees-Israelitische synagoge A’dam, 1639) het hugenotenkruisje

25 De Zilveren eeuw: de Republiek (hoofdstuk 4 en 5 van Geschiedenis Werkplaats) DE REPUBLIEK EN DE REST VAN DE WERELD Economische en politieke macht van de Republiek en Spanje loopt terug, ten gunste van Engeland en Frankrijk. Oorzaken: • Engeland en Frankrijk werden machtiger • 1689 stadhouder Willem III wordt koning van Engeland: de Republiek moet zich schikken naar Engeland • hinder van protectionisme/mercantilisme van veel Europese staten (maar … door herstel landbouw is er zelfs sprake van economische groei!!!) Koloniën • Economische groei maakte de koloniën belangrijker: Eng en Fra bouwen hun Amerikaanse en Aziatische koloniën uit voor hun eigen economie. • De Republiek kreeg in Azië steeds meer te maken met Engelse concurrentie (East India Company) • Suriname (sinds 1667) plantage-economie met Afrikaanse slaven: suiker, koffie en tabak • Transatlantische slavenhandel gedomineerd door de Engelsen maar blijft ook voor de WIC een belangrijke activiteit. Stadhouder/Koning Willem III

26 De Verlichting (± 1650 – ±1800) De politieke en filosofische beweging die de opvattingen over politiek, filosofie, wetenschap en religie binnen de westerse wereld grondig wijzigde. Het was een reactie op het autoriteitsgeloof. Verlichters als Voltaire, Rousseau en Montesquieu bekritiseerden (geïnstitutionaliseerd) geloof en onredelijkheid en de Verlichting zocht naar nieuwe kennis (wetenschap) en nieuwe samenlevingsvormen met als idealen rechtvaardigheid, democratie, volkssoevereiniteit en mensenrechten. Het verstand (rationalisme) stond voorop. Onder invloed van de Verlichting eiste de bourgeoisie (=rijke burgerij) een groter aandeel in de macht op. Zo moest in Engeland Willem III bij zijn aantreden als koning meteen The Bill of Rights (1689) tekenen waarin de rechten van volk en parlement waren vastgelegd (bv alleen parlement mag besluiten over wetten). In Frankrijk vergrootten absolute vorsten hun macht en daar kregen de burgers pas na 1789 méér invloed. In de Republiek lag de macht in handen van een kleiner wordende groep regentenklasse die zich steeds meer terugtrok uit de actieve handel (“adellijk gedrag”). In de loop van de 18 e eeuw steeds méér kritiek om deze regenten en stadhouder Willem V: de Patriotten, die invloed eisten op het bestuur, democratisering en volkssoevereiniteit. Voltaire

27 Veranderingen in de agrarische markt In westen en noorden – na 1670 problemen: • minder bevolkingsgroei – minder vraag – dalende prijzen • groei Engelse concurrentie • relatief hoge loonkosten • belastingen op onroerend goed steeds hoger • aantal epidemieën (bv veepest) • na 1730 ‘paalworm’ in de zeedijken – stenen palen – hoge waterschapslasten Herstel na 1740: • bevolkingsgroei – groeiende vraag … • verder specialisatie in handelsgewassen • besparing loonkosten door vernieuwingen • 1750: verlagingen grondbelasting • pachtprijzen waren tijdens recessie gedaald en bleven laag In het oosten – minder problemen • méér autarkisch dus minder last van prijsfluctuaties • pacht deels in natura • veel gemengde bedrijven: minder gevoelig voor recessie In de loop van de 18 e eeuw worden de (kleine) boeren sterker op de markt gericht (tabak, vlas, hop) en na 1730 aardappelteelt, steeds meer volksvoedsel. Grotere boeren blijven bij extensieve graanbouw. paalworm en aangevreten balken Van Gogh, De aardappeleters (1885)

28 Veranderingen in de nijverheid De nijverheid kreeg ook last van de economische teruggang, als eerste de aan handel en stapelmarkt verbonden activiteiten (scheepsbouw, zeilmakerijen, touwslagerijen) maar ook trafieken als zoutziederijen, zijdenijverheid en textielververijen. Uiteindelijk had alle nijverheid last van • Het hoge loonpeil • Niet verder groeiende arbeidsproductiviteit • Concurrentie en protectie van Eng en Fra E.e.a. het meest voelbaar in Holland, dat het sterkst was verbonden met de internationale markt. In de 18 e eeuw aanpassingen aan de achteruitgang, bijv. • textiel naar lage-lonen-gebieden West-Brabant en Twente, die hierdoor opbloeien • scheepsbouw in de Zaanstreek stagneert, maar houdt vol • weinig teruggang bij de papiermolens aan de Zaan • steenbakkerijen blijven van belang (ook scheepsballast, ivm minder lading op de heenreis [zie bv Hof van Justitie in Paramaribo) • suikerraffinage in A’dam bleef belangrijk • jeneverstokerijen en Schiedam (+ varkensvoer) Eene zoutziederij (boven) Hof van Justitie, Paramaribo (onder)

29 Gunstige factoren voor het voorbestaan van de nijverheid: 1.beschikbaarheid van water, turf en windenergie 2.hoge kwaliteit van de nijverheidsproducten Werkgelegenheid kon zich handhaven, niet alleen in de nijverheid: • Amsterdams stapelmarkt zorgt voor indirecte werkgelegenheid • VOC als werkgever steeds belangrijker: ca 1750 zo’n werknemers (grootste werkgever van de Republiek) Veranderingen in handel, scheepvaart en visserij In de zilveren eeuw gaan steeds méér Hollandse kooplieden zich bezighouden met geldzaken, mede dankzij hun internationale netwerken: kredietverlening, verzekeringen, commissiehandel, en na 1750 wisselhandel en acceptbedrijf. -kooplieden gaven krediet aan hun leveranciers (binding) -kooplieden organiseerden de (zee)verzekeringen voor schepen en lading - Commissiehandel : kooplieden sluiten handelstransactie af in goederen die ze zelf niet bezaten: ze waren tussenpersonen/ commissionairs (soort makelaars) - Wisselhandel : goederen vaak niet contant betaald maar met een wisselbrief (zie ook dia 12), die vaak verhandeld werden door handelaars in wisselbrieven. Sommigen specialiseerden zich in het acceptbedrijf : acceptatie van buitenlandse wisselbrieven met de garantie aan kopers van die brieven tot uitbetaling.

30 Zo ontstonden beroemde banken uit koopmanshuizen, zoals Hope & Co / Mees & Hope (Fortis) Amsterdam: kapitaalmarkt A’dam werd het centrum van vraag en aanbod mbt kredieten/ leningen: 1.Beleggers uit de Republiek investeerden in buitenlandse ondernemingen en verstrekten leningen aan Europese staten: dividenden en renten werden een belangrijke, zij het onregelmatige inkomensstroom. Vooral geld naar Engeland (EIC en staatsleningen). In 1780 ongeveer 350 miljoen gulden Nederlandse beleggingen in het buitenland, die 16 miljoen winst opleverden (vgl: VOC bracht in die eeuw jaarlijks 20 miljoen aan goederen naar Nederland die maximaal één miljoen winst opleverden!) 2.Binnen de Republiek ging de overheid (S-G, G-S, steden) steeds meer lenen: staatsschuld in 1780 was 350 miljoen. Ook particulieren (VOC, WIC, plantages in Suriname) leenden veel: dat leverde de kredietverlener méér geld op, maar met een groter risico (bv 1773 Suriname – prijsdaling koffie). De rijke elite was de grootste speler op de kapitaalmarkt, maar ook wel adel, kleinere beleggers en instellingen. De internationale handelsvaart bleef in omvang ongeveer gelijk maar ging relatief achteruit door concurrentie van Londen en Hamburg, Europees mercantilisme, oorlogen en de steeds grotere bedragen die de steden moeten uitgeven om verzanding van havens en rivieren tegen te gaan. Lastig was dat de trekvaart zo langzaam was.

31 Amsterdam werd als handelscentrum belangrijker door de commissiehandel en de voorbijlandvaart (goederen worden rechtstreeks van de buitenlandse leverancier naar de buitenlandse afnemer vervoerd, waarbij de Republiek wordt voorbijgevaren): stapelmarktfunctie wordt minder belangrijk!!! VOC groeit, maar maakt weinig winst De VOC breidde haar vloot sterk uit, voerde grotere hoeveelheden en méér verschillende koloniale producten in (bv nieuw: Java-koffie) en vergrootte de inter-Aziatische handel (om aan ruilproducten voor specerijen te komen) maar maakte geen grotere winsten (80% rond 1650, rond 1750 slechts 7,5% en na 1780 alleen nog maar verlies). Oorzaken: 1)hogere militaire uitgaven door vele inlandse oorlogen 2)het stijgen van de bestuurskosten 3)corruptie De WIC bleek weinig rendabel (winstgevend) door: 1)hoge militaire uitgaven en bestuurskosten 2)producten uit Amerika minder kostbaar/exclusief 3)concurrentie Engelsen en Fransen In 1674 ging de WIC failliet, maar meteen werd een tweede WIC opgericht die ook geen succes had en in 1734 werd het monopolie van de WIC opgeheven. De WIC zelf werd in 1791 opgeheven en de gebieden en bezittingen kwamen onder het bestuur van de Staten- Generaal. Nadat het monopolie van de WIC was opgeheven werden de Zeeuwen het belangrijkste in de slavenhandel. Het Nederlandse aandeel in de slavenhandel was ongeveer 5%.

32 De visserij gaat achteruit Haringvisserij loopt terug vanaf 1675 door: • haringtrek – minder haring in Noordzee • wijziging van de smaak • concurrentie Noren en Schotten: Hlds aandeel in haring van 80% naar 20% Walvisvangs t verplaatst zich van Spitsbergen naar Groenland en Canada: veel verder weg en spek pas in Nederland gekookt: mindere kwaliteit. Met name na 1750 definitieve teruggang. Veranderingen buiten Holland en Zeeland Niet overal was er achteruitgang: • in het oosten bloei van de landbouw na 1750 • de Friese handel met het Oostzeegebied groeit • Tilburg en Twente: bloeiende textielnijverheid • papierindustrie in de Zaanstreek en de Veluwe • steen- en pannenbakkerijen langs de rivieren DE OVERHEID: PROBLEMEN EN VERZET De teruggang in de 18 e eeuw was deels ook te wijten aan binnenlandse factoren als het optreden van de overheid. Bij de overheid leefde wel het besef dat de handel basis was van de welvaart, maar vaak voerden stedelijke of gewestelijke belangen de boventoon. haring het werk in een papiermolen

33 Gewesten hinderden elkaar door: • onderlinge tolbarrières • te weinig samenwerking wb infrastructuur • toename indirecte belastingen Het particularisme was te sterk! Ondanks alles was en bleef het gewest Holland en mn Amsterdam het welvarendste deel van de Republiek en leverde de grootste bijdrage aan de schatkist. De Spaanse Successieoorlog ( ) (Rep/Eng/Oost tegen Fra van Lodewijk XIV) vooral in de Zuidelijke Nederlanden uitgevochten en een enorme belasting voor de SG, waarvoor mn Hld opdraaide. Het duurde tientallen jaren eer Hld er financieel een beetje bovenop was. DE PACHTERSOPROEREN, De Republiek kende directe en indirecte belastingen. De indirecte werden geïnd door belastingpachters, die het recht die te innen pachtten van de overheid, bij opbod! Hierdoor werd de pachtsom hoog, die de pachters terug moesten zien te halen bij de burgers. Accijnzen steeds hoger en op méér producten, rijke burgers werden steeds zwaarder belast (aanslagen op bezit, erfenis, huispersoneel) en boeren zwaar belast, ondanks de economische teruggang. De pachters kregen de schuld van de zwaardere lasten: Pachtersoproeren, gericht tegen de pachters in Friesland, Haarlem, leiden en Amsterdam, waarbij de huizen van belastingpachters werden geplunderd!

34 Doelisten waren middengroepen die zich verzetten tegen de regenten. Kwamen bijeen in de Kloveniersdoelen (verenigingsgebouw A’dams schuttersgilde). ELF ARTIKELEN: tegen zelfverrijking regenten, tegen belastingpacht, tegen vestiging immigranten, bescherming stedelijke nijverheid steun bij Willem IV (sinds 1747 stadhouder na het Tweede Stadhouderloze Tijdperk, ). Willem echter deed niet veel meer dan wat regenten vervangen en de belastingpacht afschaffen: nu geïnd door ambtenaren, gaarders. Er veranderde verder weinig en de steden beschermden hun ondernemers … maar geen samenwerking! BUITENLANDSE POLTIEK: ANTI-FRANS, ANTI-ENGELS of NEUTRAAL? De drie Coalitieoorlogen Na Rampjaar 1672, waarbij Lodewijk XIV een groot deel van de Republiek veroverde, bleef Fra proberen de Spaanse Nederlanden te veroveren. Stadhouder Willem III wilde dat voorkomen en voerde drie coalitieoorlogen tegen Frankrijk. Tegen W III’s zin werd in 1678 de 1 e oorlog afgesloten met de Vrede van Nijmegen, waarbij Lodewijk XIV kleine gebieds- winst had. De regenten wilden liever géén oorlog met Frankrijk, want dat was slecht voor de handel (denk aan de Duinkerker kapers, 1662). 1685: groeiende anti-Franse stemming door: • intrekking van het Edict van Nantes, waardoor de hugenoten weer werden vervolgd en vluchtte naar onder meer de Republiek • nieuwe importheffingen die de Hldse handel belemmerden.

35 Hldse kooplieden ook zeer teleurgesteld dat de Engelse Navigation Act bleef bestaan, ook toen Willem III koning van Engeland werd (1689). Nu kon W III Engeland ook inschakelen in zijn strijd tegen de Fransen. De Tweede Coalitieoorlog/Negenjarige Oorlog eindigde in 1697 met de Vrede van Rijswijk waarna Fra zich uit de zuidelijke Nederlanden terugtrok. De Derde Coalitie- oorlog of Spaanse Successieoorlog ( ) eindigde met de Vrede van Utrecht waarbij de zuidelijke Nederlanden onder Oostenrijks bewind kwamen: Lodewijk XIV had zijn doel niet bereikt! Maar de Republiek was erg verzwakt… Dat had de in 1702 overleden W III niet meer meegemaakt! Regenten willen neutrale koers Na de Successieoorlog was de Republiek geen ‘grote mogendheid ’meer, gepasseerd door • Fra en Eng, die steeds belangrijker werden • schade aan handel en werkgelegenheid door mercantilisme • grote financiële schade door de oorlogen • hoge loonpeil en beperkte groei productiviteit De Staten-Generaal probeerden een neutrale koers te varen, wat zeker na 1750 goed was voor de handel. De nijverheid had sterk te lijden van het protectionisme J.B. Colbert, de architect van het mercantilisme

36 Engeland of Frankrijk … Leger of vloot??? Officiële neutraliteit maar in de 18 e eeuw fikse discussies over de buitenlandse politiek … welke houding is het beste voor de handel … PAMFLETTENOORLOG Zeegewesten : oorlogsvloot ter bescherming van scheepvaart en handel. Anti-Engels! Landgewesten : landleger tegen Fra, Oostenrijk en Pruisen. Anti-Frans en pro-Engels! Door particularisme en trage besluitvorming niet echt besluit, waardoor zowel leger als vloot werden verwaarloosd, wat tijdens neutraliteit niet zo opvalt, maar na 1750 blijkt de zwakte … 4 e Engelse oorlog ( ): Engelse vloot legt de zeehandel van de Republiek volledig stil. Gevolg van Amerikaanse Onafhankelijkheidsoorlog … Fra koos Amerikaanse zijde tegen Engeland, Republiek was neutraal, maar Hldse schepen handelden met Amerikanen, ondanks Engels verbod: oorlog!!! Patriotten fel anti-Engels, tegen de pro-Engelse stadhouder Willem V en ze waren fan van de opstandige Amerikanen.

37 Veranderingen onder de regenten • families die hun fortuin hadden gemaakt in de Gouden Eeuw bleven vooral als financiers betrokken bij handel en nijverheid. • ze belegden hun geld in aandelen VOC, obligaties aan steden, gewesten en SG • financierden buitenlandse ondernemingen en staten als Engeland, Denemarken, Spanje, Oostenrijk Regenten: een gesloten elite … de regentenkliek • Contracten van correspondentie, verdeling van de ambten • Hechte, gesloten oligarchie (regering door weinigen) • Aristocratisering, mét kasteel/landhuis en grondbezit, bv aan de Vecht Problemen voor andere bevolkingsgroepen • adel in de landgewesten verarmde maar behielden hun hoge status. Landbouwcrisis door afname bevolkingsgroei zorgde voor grootgrond-bezitters voor grote financiële problemen (lagere pacht) en uiteindelijk halvering van het gemiddeld adellijk inkomen. Alleen de rijkste adel had ook beleggingen en hielden hun vermogen op peil. Een regentengezin Landhuis aan de Vecht (tekening: Isings)

38 • Kleine burgerij had te lijden van de recessie in de nijverheid en de accijnsdruk (zie Pachtersoproer) • Volksklasse had het vaak moeilijk door de teruggang in de nijverheid: geen werk = geen inkomsten, leidend tot verpaupering (pauper=arm). Paupers werden gezien als maatschappelijke bedreiging: stadpoorten dicht voor zwervers. Wel stedelijke zorg voor de ‘eigen’ armen. De patriotten waren bang dat door steun aan de armen de wil om te werken verdween: onderwijs en werkinstellingen zijn betere aanpak van het armoedeprobleem. • Positie vrouwen verslechtert : veranderende opvattingen over de rol van vrouw als (huis)moeder. Méér jongens dan meisjes profiteerden van de uitbreiding van het onderwijs (een relatieve verslechtering dus). Vrouwen minder prominent in de economie door veranderend beeld en het verdwijnen van veel kleine bedrijven waarin man en vrouw samenwerkten: bij grotere bedrijven was meer scheiding van wonen en werken. Lonen van vrouwen werden ook minder goed. Op andere gebieden bleef de positie hetzelfde : - vrouwen konden nog steeds publieke functies bekleden, bv als regentes van een weeshuis, - vrouwen uit midden- en volksklasse bleven vaak werken voor het gezinsinkomen (noodzaak) - alleenstaande vrouwen en meisje konden soms geld verdienen in werkinstellingen, opgericht door overheden, kerken en particulieren. Vanuit A’dam veel mannen naar de koloniën, de vrouwen bleven: vrouwenoverschot, dus veel ongehuwde vrouwen …

39 Sociale groepen: zelfbescherming Alle sociale groepen probeerden de schade voor zichzelf te beperken … • middenklasse: Doelistenbeweging • gilden probeerden de rijen gesloten te houden en werden moeilijker toegankelijk • ondernemers verhuizen naar lage-lonen-gebieden Gevolgen van de veranderingen op economisch gebied • De immigratie naar de zeegewesten nam af door de economische teruggang. Nog wel vanuit de landgewesten migratie naar het westen. • Door de economische recessie steeg de huwelijksleeftijd, waardoor het kindertal daalde. • Door punt 1 en 2 kwam de bevolkingsgroei vrijwel tot stilstand. • In het oosten na 1750 nog wat groei, maar in de Hollandse steden daalde de bevolking: de-urbanisatie. In de pamfletten na 1750 zie je het beeld van stagnatie : leegloop van de steden, dalend bedrijvigheid, groeiend aantal renteniers en bedeelden, die geen economische bijdrage leveren aan de maatschappij. Steden lopen terug, evenals de nijverheid … HAVO: maken Toepassen blz 72 e.v. 1 t/m 7 blz 88 e.v. 1 t/m 6 VWO: maken Toepassen blz 78 e.v. 1 t/m 7 blz 96 e.v. 1 t/m 8

40 Afsluiting – van relatieve naar absolute achteruitgang In de 18 e eeuw klaagden de patriotten dat de regenten, vooral actief in de geldhandel ingeslapen, vastgeroest en decadent waren. De dienstensector bleef echter absoluut gezien gelijk en was een (bescheiden) groei in geldhandel en landbouw. Wel was er sprake van relatieve achteruitgang : de internationale concurrentiepositie werd zwakker en het Nederlands marktaandeel kleiner. Pas na 1780 was er sprake van een absolute achteruitgang. Oorzaken van de relatieve achteruitgang: • mercantilisme van Engeland en Frankrijk • groei Engelse en Franse economie • Engeland en Frankrijk werden sterke centraal geleide staten met één duidelijke economische politiek, terwijl in de Republiek het particularisme hoogtij bleef vieren en problemen niet gezamenlijk werden aangepakt! • de regenten wilden geen risico’s meer lopen, maar kozen voor zekerheid (obligaties). Gevolgen van de relatieve achteruitgang: • winstgevendheid van handel en nijverheid nam af • A’dam verloor de stapelmarktfunctie • stop groei bevolking en de-urbanisatie (ontstedelijking)

41 Het historisch debat over de economische dynamiek in de 17 e en 18 e eeuw De visie van de patriotten De patriotten vonden dat de verslapte, zich uit de actieve handel terugtrekkende regenten verantwoordelijk waren voor de stagnatie van de 18 e eeuw, na een eeuw van activiteit en dynamiek in de 17 e eeuw. Visies in de 19 e eeuw Protestant-nationalistische visie: de Opstand olv Willem van Oranje was een religieuze strijd en de strijders brachten welvaart, mede door de gunstige ligging van de Republiek en de gevolgen van de scheiding van de Nederlanden en de val van Antwerpen. Liberale visie: de Opstand was niet alleen religieus, maar ook een strijd voor de vrijheden van steden en gewesten, waardoor de regenten en stadhouders een belangrijke rol kregen. Vaak sloot men zich aan bij de patriotse visie dat de regenten zich uit de handel terugtrokken en zo het initiatief aan de Engelsen overlieten. Visies in de 20 e eeuw D e Annales School (empirisch-kwantitatief onderzoek): bloei vooral het gevolg van de gestage bevolkingsgroei van Nuancering van het beeld na WO II : • het risicomijdend gedrag zag je ook al bij de kooplieden in de 17 e eeuw • beleggingen buiten de Republiek waren verstandig en rationeel, omdat de Republiek niet bij machte was het staatsbestel en financiën te herordenen • niet alle sectoren kenden teruggang: naast de geldhandel droegen ook koopvaardij en nijverheid bij aan de economie • opkomst van andere landen verzwakte de positie van de Republiek • meer aandacht voor structurele ontwikkelingen (demografie, urbanisatiegraad enz) en de rol van de staat (particularisme e.d.)


Download ppt "Hoofdvraag: Hoe kon het dat de Republiek in de 17 e en 18 e eeuw een zo lange periode van welvaart meemaakte? © 2010/2011 drs Ardy W.J. Biemans."

Verwante presentaties


Ads door Google