De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

Soorten onderzoeksvragen MODULE OV 2009-2010 LES 10 Les 10.

Verwante presentaties


Presentatie over: "Soorten onderzoeksvragen MODULE OV 2009-2010 LES 10 Les 10."— Transcript van de presentatie:

1 Soorten onderzoeksvragen MODULE OV LES 10 Les 10

2 Overzicht onderzoeksvragen • beschrijvend of beeldvormend • vergelijkend • verklarend • waardebepalend en evaluatief Les 10

3 Beschrijvend/beeldvormend • GEEN hypothese, laat staan toetsing daarvan • Geen duidelijk aan te wijzen variabelen (  je varieert niets) • Beschrijving (van situatie, begrip, thema, persoon, etc.) op basis van eigen waarnemingen (nu, ‘live’) of verzamelde waarnemingen (verleden, literatuur) • Kenmerkend: veel ‘hoe’- en ‘wat’-vragen • In PWS: typisch voor literatuurgedeelte, maar zie ook ‘waarnemingsverslag’ Les 10

4 Voorbeelden • “Hoe ziet een doorgesneden ui er uit?” • “Hoe gedraagt een tijger zich in gevangenchap?” • “Wat schrijft de literatuur over tijgers in gevangenschap?” • “Wat is viscositeit?” • “Wat is in de natuurkunde een weerstand?” (LET OP: “Hoe WERKT een weerstand?” is een ander type vraag!) Les 10

5 Vergelijkend • Beschrijvend, maar met intentie om verschil en/of overeenkomst aan te tonen • Hypothese (niet noodzakelijk) omschrijft verschil/overeenkomst, of doet uitspraak over bestaan hiervan • Meerdere zaken op zelfde aspect vergeleken?  ‘Als…dan…’-hypothese KAN van toepassing zijn  hier ook variabelen aan te wijzen • Kenmerkende termen: verschil, overeenkomst, meer, minder, …-er dan, even als, etc. • In PWS: zowel in literatuurgedeelte als in experimenten Les 10

6 Voorbeelden • “Op welke punten komen de doorsnedes van een ui en een appel overeen?” – “De overeenkomsten zijn …” • “Wat zijn de verschillen tussen het gedrag van tijgers in het wild en tijgers in gevangenschap?” – “Er is geen verschil tussen…” • “Wat is meer visceus: water of slaolie?” – “Water is meer visceus” • “Wat is meer visceus: water met of zonder suiker?” – “ALS de suikerconcentratie toeneemt, DAN…” Les 10

7 Verklarend • Op zoek naar antwoord op ‘waarom’-vraag • Hypothese (in gedachten) vaak voorafgegaand door ‘omdat’, ‘want’, ‘vanwege’, etc. • Kenmerkende termen: ‘waarom (beter: waardoor/waarvoor)?’, ‘hoe komt het dat?’ ‘wat is de oorzaak van?’, ‘wat is de reden voor?’ • ‘Als…dan…’-hypothese van toepassing bij vragen die gaan over VERBAND tussen verschijnselen  kan worden gebruikt om verklaring te toetsen  aanwijzen van variabelen • In PWS: altijd vergezeld van EXPERIMENT Les 10

8 Voorbeelden Let op het subtiele verschil bij de onderstaande vragen: • Vraag: “Hoe komt dat de snelheid van een chemische reactie toeneemt als de temperatuur toeneemt?” (vraagt verklaring voor waargenomen VERBAND) • Hypothese: “De reactiesnelheid neemt toe door het sneller bewegen van deeltjes bij hogere temperatuur” (hoe te toetsen?) • Vraag: “Neemt de snelheid van een chemische reactie toe bij hogere temperatuur?” • Hypothese: “ALS de temperatuur toeneemt, DAN neemt de reactiesnelheid toe” (toetsen van het waargenomen verband ZELF) Les 10

9 Waardebepalend en evaluatief • Op zoek naar getallen en aantallen (‘harde meetwaarden’) of naar meningen (‘zachte meetwaarden’) • Bij ‘harde’ data: GEEN hypothese (  zou GOK zijn!); wel: onafhankelijke en afhankelijke variabele • Kenmerkende termen: ‘hoeveel?’ ‘hoe lang?’ ‘hoe snel?’, etc. maar ook ‘wat vindt ….?’, ‘hoe denkt?’ • In PWS: – evaluatief: vaak in enquêtes – waardebepalend: in experimenten Les 10

10 Voorbeelden • “Hoe lang brandt een waxinelichtje van de HEMA?” • “Hoeveel allochtonen wonen er in Haaksbergen?” (kan ook worden opgevat als beschrijvend) • “Hoeveel procent van de leerlingen rookt meer dan een pakje per week?” • “Wat vindt de gemiddelde leerling van docent X?” Les 10

11 Onderzoeksvraag vaak combi • Veel onderzoeksvragen vaak in te delen in meer dan één categorie • Hoofdvraag vaak aanleiding voor meerdere deelvragen, die niet perse uit zelfde categorie komen • In PWS: altijd meerdere deelvragen bij één hoofdvraag (ook op te vatten als: hoofdthema) Les 10

12 Onderzoeksvraag vaak combi – Voorbeeld: “Wat heeft een langere brandtijd: een waxinelichtje van de HEMA of één van de ACTION?” (vergelijkend)  nodig: tweemaal antwoord op een waardebepalende vraag (“Hoe lang brandt…”) – Voorbeeld: “Wat zijn de verschillen tussen het gedrag van tijgers in gevangenschap en tijgers in het wild?” (vergelijkend)  nodig: tweemaal antwoord op een beschrijvende vraag (“Hoe gedragen…?”) Les 10

13 PWS bij N-profiel • Moet experimentele component bevatten  hoofd- dan wel deelvraag is sowieso vergelijkende en/of verklarende vraag • Bij aantonen van een verband: ‘Als…dan…’- formulering goed te gebruiken als hypothese Les 10

14 Extra voorbeelden • Hangt het kookpunt van een oplossing af van de hoeveelheid opgeloste stof? • Wat wordt bedoeld met homeopathie? • Wordt het eetgedrag van egels beïnvloed door de temperatuur? • Veranderen kleurstoffen bij verandering van pH? • Verandert iemands hartslag tijdens parachutespringen? • Hoe werkt de stuurinrichting van een auto? • Wat zijn de verschillen tussen telescopen gebaseerd op gekromde spiegels en die gebaseerd op lenzen? • Welke ideeën bestonden er in de oudheid over voortplanting? • Hoe veroorzaakt plaattektoniek gebergtes? Les 10

15

16 Oefenmateriaal • Optie 1 Rodekoolsap is onder zure omstandigheden (bij lage pH waarden) rood van kleur. Het toevoegen van bijvoorbeeld afwasmiddel zorgt voor een pH- verandering (deze wordt hoger), en hiermee verandert ook de kleur: van rood naar blauw/groen. Is dit normaal bij kleurstoffen? Ontwerp een experiment waarbij je voor een afgebakend gebied bovenstaande nader onderzoekt. Les 10

17 Oefenmateriaal • Optie 2 Intuitief zeggen veel mensen dat als je twee voorwerpen van verschillend gewicht vanaf een bepaalde hoogte loslaat, het zwaardere voorwerp sneller valt dan het lichtere. Is dit ook werkelijk zo, of spelen heel andere factoren een rol bij de valtijd? Ontwerp een (serie) experiment(en) waarmee je bovenstaande nader onderzoekt. Les 10

18 Oefenmateriaal • Optie 3 Wanneer een dier wordt begraven, zullen – na vele jaren – ook de botten ‘verdwenen’ zijn, dat wil zeggen: volledig afgebroken tot andere materialen. Dit proces is met behulp van chemicaliën te versnellen. Dit kunnen vrij eenvoudige stoffen zoals azijn zijn. Wat gebeurt er als je een kippenbotje in azijn legt? En is het proces wat dan optreedt weer om te draaien? Ontwerp een experiment waarin je bovenstaande nader onderzoekt. Les 10

19 Oefenmateriaal • Optie 4 Wanneer je een munt opgooit en op tafel laat landen, kan ‘kop’ of ‘munt’ boven liggen. Men is geneigd te zeggen dat de kans op beide zijden 50% is – je hebt immers maar twee mogelijkheden. Even zo goed is de kans op ‘zeven’ met twee dobbelsteen zo’n kleine 17%. Maar betekent dit ook als je 10 keer ‘kop’ gegooid hebt, de kans op ‘munt’ groter wordt (anders kom je immers niet aan 50%)? En krijg je, als je 100 keer met de dobbelsteen gooit, tenminste 17 keer 7? Of gaan deze redeneringen helemaal niet op? Ontwerp een experiment waarin je bovenstaande nader onderzoekt. Les 10


Download ppt "Soorten onderzoeksvragen MODULE OV 2009-2010 LES 10 Les 10."

Verwante presentaties


Ads door Google