De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

ECONOMIE Vishal Bechai, Kevin Scheppers Martin Faes en Wievineke Apers.

Verwante presentaties


Presentatie over: "ECONOMIE Vishal Bechai, Kevin Scheppers Martin Faes en Wievineke Apers."— Transcript van de presentatie:

1 ECONOMIE Vishal Bechai, Kevin Scheppers Martin Faes en Wievineke Apers

2 Productie 2.1

3 WELVAART De mate van schaarste Welvaart in enge zin mate waarin in behoeften wordt voorzien door productie Welvaart in ruime zin mate waarin in behoeften wordt voorzien door productie en externe effecten Productie Produceren is het voortbrengen van goederen of diensten door bedrijven of overheid. Externe effecten Positieve of negatieve bijwerkingen van productie en consumptie, die buiten de markt om de welvaart van anderen beïnvloeden. Voor externe effecten kan geen prijs worden vastgesteld. Productiefactoren Productie gebeurt met behulp van productiefactoren: natuur, arbeid, kapitaal en ondernemersactiviteit. Milieuvervuiling (-) of een goed onderhouden omgeving (+) zijn bijvoorbeeld externe effecten.

4 PRODUCTIEFACTOREN Productiefactoren kunnen op verschillende manieren gebruikt worden (alternatief aanwendbaar). Schaarste van productiefactoren wordt uitgedrukt in een prijs* 1. Natuur: - natuurlijke omgeving - hulpbronnen (grond- en delfstoffen) - ligging van een gebied (in buurt van een haven bijvoorbeeld) - Pacht* 2. Arbeid: betaalt werk die waarde toevoegt aan productie -geschoold en ongeschoold -veel ervaring: geoefende arbeid -Loon* 3. Kapitaal: kapitaalgoederen waarmee andere goederen worden geproduceerd -vast of vlottend (gaat meerdere of maar 1 productieproces mee) - omwegproductie -bijvoorbeeld: machines, gebouwen, inventaris, gereedschappen, transportmiddelen -Rente* 4. Ondernemersactiviteit: economische risico’s die ondernemers durven te nemen -Bijvoorbeeld het starten van een onderneming of het investeren. Er is een kans dat het goed gaat (winst) of juist niet (verlies, schulden, faillissement). -Winst* Omwegproductie: eerst moeten de kapitaalgoederen worden geproduceerd en pas daarmee kan het uiteindelijke product worden voortgebracht

5 INFORMELE ECONOMIE (niet geregistreerde productie) FORMELE ECONOMIE (geregistreerde productie) grijs circuit (legaal)zwart circuit (illegaal)bedrijfsproductieoverheidsproductie -vrijwilligerswerk -zelfvoorziening geen belastingbetalingBijv. tv’s, computers, kastenBijv. politie, aanleg infrastructuur CBS vormt met deze gegevens belastingdienst: Nationaal Product Waarde productie van een land in 1 jaar PRODUCTIECAPACITEIT: max. mogelijk aantal producten dat een onderneming in een bepaalde periode kan voortbrengen Een bedrijf heeft 10 machines die in 1 dag maximaal 100 producten kunnen produceren. Productiecapaciteit is dan: 10*100 = 1000 producten per dag PRODUCTIEVOLUME: werkelijke productie onderneming in bepaalde periode Maar de eigenaar heeft beslist dat hij zijn machines niet volop gebruikt en maar 50 producten per machine laat produceren. Productievolume is dan: 10*50 = 500 producten per dag PRODUCTIECAPACITEIT KORT TERMIJN: bestaande productiecapaciteit, bepaald door aanwezige hoeveelheid vast kapitaal in een onderneming De ondernemer kan zijn productievolume veranderen door zijn machines intensiever te gebruiken of kapitaal (machines/arbeiders) langere werkdagen te laten maken. Deze veranderingen doorvoeren duurt meestal niet lang: kort termijn. Hij kan echter niet meer dan zijn productiecapaciteit produceren, dus niet meer dan 100 producten per machine. PRODUCTIECAPACITEIT LANG TERMIJN: Uitbreiden productiecapaciteit door aanschaf nieuw kapitaal Als de ondernemer toch meer dan 1000 producten per dag wil produceren, zal hij meer machines moeten kopen en misschien ook zijn gebouw moeten uitbreiden om ruimte te maken. Dit aanschaf van nieuw kapitaal duurt lang(er): lang termijn.

6 Uitschakeling arbeid door kapitaalgoederen: •Mechanisering (‘doe’-werk, vb. graafmachine i.p.v. mannen met schop) •Automatisering (‘denk’-werk, vb. computer i.p.v. handmatige renteberekening) •Robotisering (‘doe- & denkwerk’, vb. CAD-CAM automobielindustrie SUBSTITUTIEPROBLEEM vraagstuk van verhouding waarin arbeid en kapitaal kunnen worden gebruikt Arbeidintensiteit hoeveelheid gebruikte arbeid per eenheid kapitaal Kapitaalintensiteit hoeveelheid gebruikte kapitaalgoederen per eenheid arbeid Arbeidsintensief in verhouding tot kapitaal veel gebruik van arbeid Kapitaalintensief in verhouding tot arbeid veel gebruik van kapitaal Factoren: Prijs van Arbeid en Stand van Techniek Of een bedrijf kapitaal- of arbeidsintensief is hangt af van deze 2 factoren. Bij een lage stand van techniek zal er meer gebruik van arbeid worden gemaakt, omdat kapitaal naar verhouding duur is t.o.v. arbeid. Bij een hoge stand van techniek wordt dat verschil kleiner of wordt juist kapitaal naar verhouding goedkoper. Daar zal juist meer kapitaalgebruik zijn.

7 TOENAME VAN SCHAALGROOTTE toename van productiecapaciteit (lang termijn) Afnemend schaalvoordeel:Gemiddelde kosten nemen toe. De kosten nemen naar verhouding meer toe dan de inzet voor uitbreiding. Constant schaalvoordeel:Gemiddelde kosten blijven gelijk. De toename van kosten is even groot als de inzet voor uitbreiding. Toenemend schaalvoordeel:Gemiddelde kosten dalen. De toename van kosten is naar verhouding kleiner dan de inzet voor uitbreiding.

8 Inkomsten & Uitgaven •2.2

9 •Stel dat de gezinnen eigenaren zijn van productiefactoren en die ter beschikking stellen van producenten > inkomen. PRIMAIR INKOMEN: beloning voor het ter beschikking stellen van productiefactoren Berekenen: loon + pacht/huur + interest (rente) + winst 1. INKOMEN UIT ARBEID: loon van werknemers in loondienst of zelfstandigen Bijvoorbeeld het werken in een supermarkt onder een baas of als zelfstandige boer zonder werknemers 2. INKOMEN UIT VERMOGEN: in kapitaal of natuur belegde vermogens Bijvoorbeeld kamerverhuur/autoverhuur (kapitaal) of het verhuren van een stuk land (natuur) De beloning voor natuur heet pacht of huur en die voor kapitaal interest. SECUNDAIR INKOMEN: besteedbaar inkomen na herverdeling overheid Berekenen: primair inkomen – inkomstenbelasting – sociale premies + sociale uitkeringen + Subsidies Niet alle gezinnen bezitten evenveel productiefactoren. Om de verschillen in inkomen te verkleinen heft de overheid inkomstenbelasting en sociale premies. Hoe hoger je primair inkomen, des te meer inkomstenbelasting en sociale premies moet je betalen. Gezinnen met weinig of geen productiefactoren krijgen een uitkering of subsidie afhankelijk van je inkomen, bijvoorbeeld studiefinanciering en huursubsidie.

10 CONSUMPTIEVE UITGAVEN: uitgaven die gezinnen doen voor het kopen van goederen en diensten Met het besteedbaar inkomen kan je de consumptieve uitgaven doen. Het geld dat je na je consumptieve uitgaven overhoudt kan je sparen of beleggen. 1.DAGELIJKSE UITGAVEN: kosten om je te voorzien van je dagelijkse behoeften Bijvoorbeeld het doen van boodschappen, kopen van kleding of huishoudelijke uitgaven. 1.VASTE LASTEN: kosten die om een vaste periode terugkeren Bijvoorbeeld het betalen van een abonnement, energierekening of rentekosten van lening. 1.INCIDENTELE UITGAVEN: grote uitgaven voor veelal duurzame consumptiegoederen die af en toe gedaan moeten worden. Meestal wordt hiervoor doorgaans geld gereserveerd. Bijvoorbeeld het kopen van een nieuwe auto of een vakantie boeken. BELEGGEN: kopen van aandelen van een nv, daardoor wordt je mede- eigenaar. Een aandeelhouder ontvangt dividend, een deel van de winst van de NV. Afhankelijk van je aandeel.

11 NETTOLOON: brutoloon – ingehouden loonbelasting – ingehouden sociale premies NETTOWINST: winst – bedrijfskosten De ingehouden loonbelasting gaat naar de rijksbelastingdienst (schatkist) De ingehouden sociale premies naar instellingen voor sociale verzekeringen, zoals UWV Voorbeeld van een sociale premie is de WW-premie (WerkloosheidsWet) Hiermee wordt een uitkering voor werklozen betaald. LENING: het lenen van geld om een goed of dienst te betalen Tegenover het lenen van geld staat een maandelijkse betaling van aflossing en rente. Rente is de prijs voor het geleende geld. Aflossen is het geleende geld in gedeelten terugbetalen. Lenen van geld om een huis te kopen = hypotheek.

12 •BASISBEURS: STUDIEFINANCIËRING AFHANKELIJK VAN JE (LEER)PRESTATIES •IMPORT (invoer): HET KOPEN VAN GRONDSTOFFEN OF DIENSTEN VAN HET BUITENLAND •Bijvoorbeeld het kopen van exotisch fruit uit tropische landen of transportdiensten uit buitenland •EXPORT (uitvoer):HET VERKOPEN VAN GRONDSTOFFEN OF DIENSTEN AAN HET BUITENLAND •Bijvoorbeeld het gaan op vakantie naar het buitenland of transport naar buitenland

13


Download ppt "ECONOMIE Vishal Bechai, Kevin Scheppers Martin Faes en Wievineke Apers."

Verwante presentaties


Ads door Google