De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

Het voordeel van de twijfel Eindexamen filosofie 2015.

Verwante presentaties


Presentatie over: "Het voordeel van de twijfel Eindexamen filosofie 2015."— Transcript van de presentatie:

1 Het voordeel van de twijfel Eindexamen filosofie 2015

2 1.2 Soorten scepticisme Het soort scepticisme dat we vaker zien, is de twijfel aan historische feiten  complottheorieën 9/11 De maanlanding Shakespeare …?

3 Maar… Er zijn ook sceptische scenario’s waarin niet wordt getwijfeld aan een feitje uit het verleden, maar aan het complete verleden. De vijf-minuten-hypothese

4 Terugkerende vraag Zulke scenario’s zijn natuurlijk alleen maar logisch mogelijk, maar niet écht mogelijk. Een terugkerende vraag in deze examenbundel zal zijn of de scepticus niet doorschiet met de vergezochte, groteske scenario’s waar hij zich van bedient; in hoeverre kunnen zulke scenario’s nog productief zijn?

5 Welke soorten scepticisme zijn er? Gorgias van Leontini, een Grieks filosoof zei eens: “Niets bestaat, mocht er iets bestaan, dan kunnen we het niet kennen, en mochten we het wel kunnen kennen, dan kunnen we het niet mededelen.”

6 “Niets bestaat […]” Metafysisch scepticisme Er is geen zekerheid over het bestaan van een buitenwereld; een wereld buiten ons. Hoofdstuk 2

7 “[…] mocht er iets bestaan, dan kunnen we het niet kennen […]” Epistemologisch scepticisme ‘het kennisprobleem’ Zit jij hier nu écht, of ben je alles maar aan het dromen? Hoofdstuk 3

8 “[…] en mochten we het wel kunnen kennen, dan kunnen we het niet mededelen.” Conceptueel scepticisme ‘probleem van andere geesten’ Houdt in dat communicatie onmogelijk is, dat we er niet toe in staat zijn van gedachten te wisselen. Solipsisme Hoofdstuk 4

9 Dit boek In hoofdstuk 2 t/m 4 worden enerzijds de nadelige gevolgen van het scepticisme weergegeven, anderzijds wordt ook de schade beperkt. In hoofdstuk 5 worden de voordelen van sceptische twijfel weergegeven. Volgens de Mey ligt hier de crux van het boek. Activistisch of wetenschappelijk scepticisme

10 Nagenoeg al deze sceptici bestrijden bijvoorbeeld fanatiek pseudowetenschappen, pseudogeneeskunde, en sommigen van hen bestrijden ook godsgeloof. Zij beroepen zich meestal op wetenschappelijke methodes en/of bevindingen om hun opvattingen te onderbouwen.

11 3 verschillende problematieken In dit eerste hoofdstuk zullen verschillende aanvliegroutes voor het scepticisme aan bod komen: De pyrronistische problematiek De problematiek van Descartes De problematiek van Hume Een handig instrument  het gedachte-experiment

12 Volgende les Lees thuis Sextus Empiricus – Hoofdlijnen van het pyrronisme (blz. 153 – 158) Volgende les zullen jullie die tekst bespreken Denk aan het maken van de eindtermen!

13 Sextus Empiricus – Hoofdlijnen van het pyrronisme (blz. 153 – 158) Allemaal gelezen? Samen doornemen Maak aantekeningen!

14 Sextus Empiricus en de pyrronistische problematiek Filmpje Sextus Tilburg University

15 Even alles op een rijtje… Dogmatici, academische sceptici en échte sceptici Isosthenia Epochè Ataraxia Agrippa’s trilemma

16 De ezel van Buridan

17 Scepticisme voor de pyrronist Recept voor persoonlijk geluk Biedt troost en rust

18 Descartes een scepticus? Waarom wordt Descartes in deze examenbundel behandeld? Wat is zijn sceptische problematiek?

19 De problematiek van Descartes Scepticisme is de meest fundamentele dreiging voor al onze kennis en wetenschap Die dreiging moet weg; het probleem van het scepticisme moet opgelost worden  Doel van de Meditaties

20 3 niveaus van twijfel Perceptuele vergissingen We kunnen niet zeker zijn van onze waarnemingen; schijn bedriegt soms  stok in het water lijkt gebogen, maar is dat niet. ‘Ik kan alles dromen’ Maar waar je óver droomt, die ‘basisvormen’, die moeten érgens naar refereren. Dus die basisvormen bestaan (bijv. wiskundige zekerheden). De werkelijkheid daarentegen, daarvan kunnen we niet zeker weten dat hij zo is als wij hem waarnemen. Kwaadaardige demon De demon bedriegt je zo, dat je zelfs niet meer zeker kunt zijn over wiskundige ‘zekerheden’. Het enige waar je zeker van kunt zijn is ‘cogito ergo sum’: ik denk, dus ik ben.

21 En na ‘cogito ergo sum’… Het bestaan van God “Het perfecte wezen Godm waarvan we ons een helder en onderscheiden idee kunnen vormen, moet wel bestaan, want als dat perfecte wezen niet zou bestaan, zou er iets aan ontbreken, namelijk het bestaan zelf, en dan zou het dus niet perfect zijn.” (VvdT, blz. 31)

22 En na het bestaan van God… Een God die niet algoed is, is toch zeker niet perfect? Hij zou het dan dus nooit toelaten dat een kwaadaardige demon mij constant bedriegt. ERGO: Ik ben niet alleen een denkend ding (res cogitans), maar ook een uitgebreid ding (res extensa).

23 De problematiek van Hume Lees David Hume – Scepticisme ten aanzien van de zintuigen op blz van het boek. Jullie hebben dit voor het grootste gedeelte al gehad in de vorige periode. Daarom zullen jullie volgende les deze tekst samen bespreken, zonder mij. Denk in de tussentijd aan je eindtermen!!!

24 Hume vs. Pyrronisten en Descartes De pyrronisten waren vrolijke sceptici; Descartes vreesde het scepticisme. Hoe zit dat eigenlijk met Hume?

25 David Hume ( ) Schotse Verlichting Was een goede vriend van Adam Smith, woonden samen in Edinburgh

26 Psychologische uitweg Descartes zocht een fundamentele uitweg uit het scepticisme Hume een psychologische: het is een illusie te denken dat we ooit tot zekerheden kunnen komen, maar wij hebben die illusie en het is prima te verklaren dat ons doen en laten op die vermeende zekerheden gebaseerd zijn.

27 Impressies en ideeën Een beetje hetzelfde als het verschil tussen voelen en denken: Impressies zijn krachtig en hevig, onze indrukken of gewaarwordingen zelf.  Bijv. een roze iets met een figuur erop. Ideeën zijn de verwerking of weerslag van impressies in onze denkprocessen en redeneringen.  Bijv. dat roze ding met een figuur erop is een boek!

28 Enkelvoudige en complexe ideeën Enkelvoudige ideeën komen voort uit de waarneming door één zintuig, dus bijvoorbeeld roze. Ons verstand voegt deze enkelvoudige ideeën samen tot een complex idee, zoals bijvoorbeeld een boek.

29 Niet-bestaande complexe ideeën Ons verstand kan ook verschillende enkelvoudige ideeën samenvoegen tot een iets wat niet bestaat Gevleugelde paarden met een hoorn Vuurspuwende hagedissen die kunnen vliegen Etc.

30 Abstracte ideeën Ons verstand kan ook enkelvoudige ideeën samenvoegen tot abstracte ideeën, zoals substantie, causaliteit, identiteit, enz. Maar we kunnen deze volgens Hume niet zomaar aannemen, dus zij hebben dan misschien dezelfde status als de niet-bestaande complexe ideeën op de vorige slide.  Scepticisme!

31 Causaliteit Enkelvoudige ideeën: Nabijheid in de tijd Volgorde Gebeurt elke keer weer Psychologisch kan het begrip causaliteit erg belangrijk zijn; je wilt immers graag dingen begrijpen. Filosofisch is het niet te onderbouwen!

32 Inductie Enkelvoudige ideeën: Zwaan 1 is wit Zwaan 2 is wit Zwaan 3 is wit Uniformiteitsprincipe  psychologisch noodzakelijk dat wij verwachten dat de wereld op een bepaalde manier werkt. Filosofisch niet te onderbouwen!

33 Uniformiteitsprincipe Uniformiteitsprincipe is toch waar? Je hebt toch al heel vaak ervaren dat de wereld zich gedraagt in lijn met je verwachtingen? Cirkelredenering! Je onderbouwt inductie met inductie

34 Hume’s scepticisme breidt zich uit Hume houdt het niet op scepticisme t.a.v. causaliteit of inductie, maar ook de werkelijkheid gaat op de schop. We kunnen onmogelijk controleren of onze impressies corresponderen met de werkelijkheid!

35 Laatste paragraaf Zelf doornemen in groepjes Presentaties Hoe verhoudt Mr. Nobody zich tot deze paragraaf?

36 Hoofdstuk 2 De buitenwereld op de helling

37 2.1 Waarneming en metafysisch scepticisme “Het is en blijft een schandaal voor de filosofie en de menselijke rede in het algemeen dat we het bestaan van de dingen buiten ons (die ons al het materiaal voor kennis aan de hand doen, zelfs voor onze innerlijke zintuiglijkheid) louter grond van geloof moeten aannemen, en dat we niet in staat zijn een bevredigend bewijs voor dat bestaan te leren als iemand op het idee komt het in twijfel te trekken.” - Immanuel Kant, Kritiek van de zuivere rede

38 Begin bij Descartes Pas in de vroegmoderne filosofie (begint bij Descartes, eindigt bij Kant) komen filosofen op het idee om de ‘buitenwereld’ in twijfel te trekken. Vanaf Descartes: verplicht nummertje  geloof je in het bestaan van de buitenwereld? Waarom dan pas?

39 2 vooronderstellingen 1.Empirisme: alle kennis ontspringt aan en kan teruggevoerd worden op zintuiglijke waarneming. 2.We nemen de buitenwereld in het algemeen en fysische objecten in het bijzonder onrechtstreeks waar. Deze vooronderstellingen zijn toch al veel vroeger in de geschiedenis terug te vinden!

40 Naïef realisme Fysische objecten zijn driedimensionaal Fysische objecten bestaan onafhankelijk van onze waarnemingen Fysische objecten blijven bestaan wanneer niemand ernaar kijkt Fysische objecten bevinden zich in de publieke ruimte

41 Problemen met naïef realisme Welke zintuiglijke ervaringen we precies hebben, hangt niet alleen af van de fysische objecten en hun eigenschappen, maar ook van ons standpunt als waarnemer. We zijn soms onderhevig aan illusies en hallucinaties. Wat als we dat constant zijn?

42 Optische illusies

43 Is er iets dat wél onbetwistbaar is? Het feit dat JIJ die bepaalde zintuiglijke ervaring hebt! MAAR: wat jij ervaart hoeft niet de buitenwereld te zijn.

44 Theory of ideas We nemen de buitenwereld en de fysische objecten niet direct waar Alles wat we direct waarnemen, zijn afbeeldingen of plaatjes van de buitenwereld Sensaties, ideeën, impressies, sense-data, etc.

45 De 2 vooronderstellingen Als 1) alle kennis gebaseerd is op waarneming, en 2) alles wat we direct waarnemen niet de buitenwereld als zodanig is, maar plaatjes ervan… Dan kunnen we niet langer zeker zijn van het bestaan van de buitenwereld.

46 Descartes Dan moeten we onze kennis niet baseren op zintuiglijke waarneming, maar op iets anders! Rationalisme! Maar het rationalisme brengt natuurlijk ook weer problemen met zich mee. Pijnappelklier?? Dualisme?? Aangeboren ideeën??

47 Realisme Er bestaat een buitenwereld, onafhankelijk van ons, en we kunnen dit geloof in een buitenwereld ook onderbouwen. Indirect realisme  John Locke Direct realisme  Thomas Reid

48 Idealisme Een wereldbeeld dat inhoudt dat alleen de ‘binnenwereld’ echt bestaat en/of kenbaar is. Onze zintuiglijke indrukken zijn het eindpunt; verder kunnen we niet komen. Er is geen ‘verder’  George Berkeley Transcendentaal idealisme  Immanuel Kant

49 2.2 Locke en het indirect realisme 1)Empirisme 2)Zintuiglijke waarnemingen zijn indirect ) Scepticisme … toch?!

50 Locke pakt niet door “Niemand kan, in alle ernst, zo sceptisch zijn dat hij onzeker zou zijn over hij ziet en voelt.” Over al het andere is hij sceptisch: we kunnen over heel wat zaken van alles geloven, maar we kunnen er uiteindelijk geen kennis over verwerven. We kunnen er alleen maar “bij neerzitten in stille onwetendheid”.

51 Bemiddeling Al onze kennis van de buitenwereld en de fysische objecten erin wordt bemiddeld door ‘ideeën’ of ‘denkobjecten’. Al onze ideeën ontspringen aan zintuiglijke ervaring: wij zijn bij geboorte een tabula rasa.

52 Vermogens LET OP! De mens wordt weliswaar als tabula rasa geboren, maar niet zonder vermogens! “Het is precies door ideeën te abstraheren, te vergelijken en samen te voegen dat we de concepten kunnen vormen waarmee we onze ervaringen kunnen beschrijven en waarin dus onze empirische kennis uiteindelijk vorm krijgt.” – VvdT, blz. 52

53 En dan? Hoe weten we dat er achter die ‘sluier van waarnemingen’ werkelijk een buitenwereld bestaat?  Onze zintuigen bevestigen elkaar!  inference to the best explanation  abductie: de denkstap van een waarneming naar een mogelijke verklaring van die waarneming.

54 Abductie Ik hoor drie kloppen op de deur  Er staat iemand voor de deur, die wil dat de deur open gedaan wordt. Zeker is dit niet, maar wél de beste verklaring!

55 Abductie Als we een kat bij ons op schoot zien, en we doen onze ogen dicht, kunnen we hem ook nog voelen. Je kunt hem horen als hij spint of miauwt.  Beste verklaring: die kat bestaat werkelijk!

56 Banaan Hetzelfde geldt voor een banaan: Je ziet een krom object dat +/- 20cm lang is, en als je je ogen dicht doet en je betast het, voel je een krom object dat +/- 20cm lang is. Dat de banaan geel is, kunnen we alleen zien; dat de banaan zoet is, kunnen we alleen proeven. Dit zijn eigenschappen die we maar met één zintuig kunnen waarnemen.

57 Twijfels “Als het feit dat verschillende zintuigen ons hetzelfde vertellen over de vorm en grootte van de banaan, ons een goede reden geeft om aan te nemen dat die vorm en grootte werkelijk bestaan, dan vormt het feit dat we eigenschappen als kleur en smaak maar met één zintuig kunnen waarnemen, een even goede reden om te betwijfelen of die kleur en smaak werkelijk bestaan.”- VvdT, blz. 53

58 Primaire en secundaire eigenschappen Vorm en grootte: primaire eigenschap Maar de banaan als zodanig is niet zoet; dat is hij slechts bij gratie van onze smaakpapillen. Als er niemand een banaan zou proeven, zou hij niet zoet zijn.

59 Dispositionele eigenschappen Secundaire eigenschappen zijn eigenschappen die zich slechts onder welbepaalde omstandigheden manifesteren, namelijk in de ervaring van een waarneming. Maar de oorzaak van het effect van de secundaire eigenschappen – bijv. de suiker in de banaan die hem zoet maakt – bestaat wél in de buitenwereld. Secundaire eigenschappen zijn dus niet geheel losgekoppeld van de werkelijkheid.

60 Verschil Het verschil tussen primaire en secundaire kwaliteiten is het antwoord op de vraag of er een gelijkenis is tussen de oorzaak van de zintuiglijke ervaring en de zintuiglijke ervaring zelf.  De banaan doet ons krom voor, omdat hij krom is.  De banaan doet ons geel voor, omdat de banaan een dispositie heeft om in normale lichtcondities op normale menselijke waarnemers als geel voor te komen.

61 2.3 Berkeley’s subjectief en objectief realisme Net als John Locke is hij een empirist, maar hij meent dat het indirect realisme onmiddellijk tot scepticisme leidt. Het is onmogelijk een onderscheid te maken tussen primaire en secundaire kwaliteiten.

62 Primaire en secundaire kwaliteiten? We kunnen de gele kleur en de kromme vorm van de banaan helemaal niet zonder elkaar denken. Probeer maar eens een kleur te denken zonder vorm! We kunnen dus helemaal geen onderscheid maken tussen primaire en secundaire kwaliteiten. Daarom hebben we geen enkele reden om aan te nemen dat de banaan wanneer hij niet wordt waargenomen, wel krom is, maar niet geel.

63 Idealisme Conclusie: zowel primaire als secundaire kwaliteiten (zoals Locke ze noemt) bestaan slechts bij gratie van de waarnemer. ‘Esse est percipi’  idealisme! Objecten hebben dus geen materiële werkelijkheid in een van de waarnemer losstaande buitenwereld. Want wat blijft er nog over van objecten zonder al hun kwaliteiten? Een materiële substantie? Heeft iemand zoiets ooit ervaren? (Berkeley blijft een empirist!)

64 Objecten Objecten zijn volgens Berkeley dus bundeltjes zintuiglijke ervaringen, bundeltjes secundaire kwaliteiten. Meer niet. Tot nu toe is Berkeley’s idealisme dus louter subjectief. Hoe kan het dan dat die objecten toch een hoge mate van stabiliteit en continuïteit hebben?

65 God! Oplossing: God is er altijd en neemt altijd alles waar! Hier verandert Berkeley dus van subjectief idealisme naar objectief idealisme.

66 Solipsisme Als Berkeley alleen maar zeker is van zijn eigen waarnemingen, hoe kan hij dan weten dat er andere mensen bestaan die ook ervaringen hebben? Ook zij worden waargenomen door God!

67 En het grootste probleem… Berkeley’s subjectief idealisme ondermijnt zijn objectief idealisme. Als je alleen maar af kunt gaan op je zintuiglijke ervaringen, en omdat niemand ooit een materiële substantie zonder eigenschappen heeft waargenomen en daaruit volgt idealisme, hoe kan Berkeley dan het bestaan van God verdedigen? Heeft iemand ooit God waargenomen?

68 2.4 Reid en het direct realisme https://videocollege.uvt.nl/Mediasite/Play/c307a3c89 07e407a9cebf300f741104b1d?catalog=8c9a44b5- ea2c c5a8ef625c55 https://videocollege.uvt.nl/Mediasite/Play/c307a3c89 07e407a9cebf300f741104b1d?catalog=8c9a44b5- ea2c c5a8ef625c55 Lees de primaire tekst op blz van het boek. Vat deze samen aan de hand van de eindtermen.

69 Reid en het direct realisme Scepticisme is inderdaad problematisch Ik maak gebruik van ‘gezond verstand’! “Natuurlijk bestaat onafhankelijk van ons de buitenwereld, en daarin een heleboel fysische objecten zoals bovenvermelde banaan, maar die buitenwereld en die fysische objecten nemen we direct of onmiddellijk waar, en niet via de omweg van ‘sensaties’ of ‘ideeën’.” - VvdT, blz. 58

70 Anti indirecte waarneming Illusies en hallucinaties vormen de uitzondering, niet de regel De verschillen tussen wat we afhankelijk van ons gezichtpunt waarnemen, kan prima worden verklaard door de meetkunde en de perspectiefleer. Er is dus geen reden om aan te nemen dat er dingen bestaan als ‘sensaties’ en ‘ideeën’

71 Gezond verstand Common sense Sensus communis Overtuiging: onze zintuigen laten ons allemaal een andere wereld zien Sensus communis zet alle zintuiglijke ervaring op een rijtje Daarna werd het gebruikt om te refereren aan een gemeenschappelijk wereldbeeld van mensen samen.

72 Direct realisme & kwaliteiten Een direct realist kan ook onderscheid maken tussen primaire en secundaire kwaliteiten! Een realist die gelooft dat zowel primaire als secundaire kwaliteiten werkelijk in de objecten zitten, wordt een naïef realist genoemd

73 Naïef realisme & wetenschappelijk realisme Naïef realisme: Een banaan die niet wordt waargenomen, is niet alleen krom, maar ook geel en zoet. Wetenschappelijk realisme: Beweert dat de fysica (natuurkunde) aantoont dat er wél eigenschappen zijn die afhankelijk zijn van de waarnemer.

74 Wetenschappelijk realisme Heeft niet niets te maken met de werkelijkheid! Kleur komt tot stand doordat objecten licht deels absorberen en deels reflecteren. Pas wanneer het licht dat de banaan reflecteert op onze ogen valt en die stimulus door ons brein geïnterpreteerd wordt als geel, zien we de banaan ook als geel. Maar dat geel is dus onze ‘inkleuring’ van die stimulus.

75 Voordeel Voordeel van direct realisme t.o.v. indirect realisme: Je hoeft niet af te rekenen met scepticisme! Je hoeft dan niet: De buitenwereld als hypothese te poneren Ons op abductie te beroepen Uit te leggen waarom we geen brain in a vat zijn

76 Probleem Als we wél onderscheid maken tussen primaire en secundaire kwaliteiten, bestaat de ervaring voor een flink stuk uit ‘inkleuring’. Op basis van ervaring alleen kunnen we geen onderscheid maken tussen primaire en secundaire kwaliteiten Als we er wetenschappers bij halen om dit onderscheid te onderschrijven, werken we tóch met hypothesen.

77 2.5 Kant en het transcendentaal idealisme Kant is het eens met idealisten zoals Berkeley: Datgene waar we ons onmiddellijk van bewust zijn, is onze ervaring, niet de buitenwereld. Kant is het oneens met idealisten zoals Berkeley: Die buitenwereld moeten we wel veronderstellen; er dient iets bestendigs te zijn dat aan de basis ligt van al onze zintuiglijke ervaringen. Is dat niet net als Locke?  Nee!

78 Transcendentale argumenten Argumenten die terugvallen op de mogelijkheidsvoorwaarden voor iets, in Kant’s geval voor het hebben van zekere kennis. Niet hetzelfde als ‘transcendent’ Dat betekent ‘de werkelijkheid overstijgend’ Transcendent vs. immanent

79 Kant contra Locke Geen ‘afleiding naar de beste verklaring’, maar transcendentaal argument: Hoe kun je iets in twijfel trekken dat er niet is? Buitenwereld moet wel bestaan! Anders dan indirect realisme: we kunnen geen kennis verwerven van de buitenwereld zoals die onafhankelijk van ons bestaat.

80 Buitenwereld als abstract postulaat “We hebben geen heuse kennis, direct noch indirect, van hoe die buitenwereld onafhankelijk van ons is, maar we kunnen wel beredeneren dat er noodzakelijkerwijs een buitenwereld moet bestaan.” - VvdT, blz. 61  Ervaring in de tijd is alleen mogelijk als er een bestendige buitenwereld bestaat.  Gebaseerd op ‘innerlijke ervaring’: ons bewustzijn van ons bestaan in de tijd is slechts te bepalen met betrekking tot iets dat buiten ons is en met ons bestaan verbonden is.

81 2.6 Mill, Russell en het fenomenalisme Voornamelijk een reactie op Berkeley’s subjectief idealisme en objectief idealisme

82 John Stuart Mill Alternatieve oplossing voor het probleem van niet-waargenomen objecten Wij zijn ons nooit bewust van noumena, maar slechts van ‘fenomenen’  fenomenalisme Tegen Berkeley: niet alleen feitelijke, maar ook mogelijke zintuiglijke waarnemingen tellen mee! “De banaan ligt in de koelkast”  als je de deur van de koelkast open doet, zul je een kromvormige gele vlek ervaren. Geen veronderstellingen: niets ‘achter’ ervaringen, geen God die alles moet waarnemen. Maar hoe zit het met die bestendigheid? En causaliteit? Hoe verklaar je die?

83 Bertrand Russell We kunnen alleen maar zekerheid hebben over onze eigen bewustzijnsinhouden Pure, ongeïnterpreteerde ervaring = sense data Fysische objecten zijn slechts logische constructies die we afleiden uit sense data  kennis door beschrijving Kennis van bewustzijnsinhouden = kennis door vertrouwdheid Alle kennis door beschrijving berust uiteindelijk op kennis door vertrouwdheid.

84 Sense data In zekere zin objectief: ze zijn gegeven en we kunnen ons er onmogelijk in vergissen In zekere zin ook subjectief: het zijn mijn sense data, en die kunnen anders zijn dan die van jou. Nog steeds hetzelfde probleem: hoe verklaar je de bestendigheid van de buitenwereld? En causaliteit?

85 Fenomenalisme en de krekelschool Lees rode fragment op blz Leg zo goed mogelijk uit wat de krekelschool te maken heeft met het fenomenalisme

86 2.7 Respons-afhankelijkheid We hebben gezien dat sommige filosofen een sceptisch standpunt innemen tot secundaire kwaliteiten We noemen dat lokaal metafysisch scepticisme ‘Er is wel een buitenwereld, maar smaken en kleuren bevinden zich daar niet in’ = eliminativisme ‘Smaken en kleuren worden op de buitenwereld geprojecteerd’ = projectivisme Laatste paragraaf van dit hoofdstuk: lokale sceptici

87 Kleuren fysische eigenschappen? Bananen zijn geel, gras is groen, de lucht is blauw. Toch? Kleuren corresponderen met de golflengtesamenstelling van het licht dat een object reflecteert en dat vervolgens op ons oog valt. Probleem: metamerisme Het is mogelijk dat lichtbundels een verschillende golflengtesamenstelling hebben en dat we toch dezelfde kleur zien! Ook meer lichtbundels met elk een andere golflengtesamenstelling geven ons dezelfde kleurervaring.

88 Metamerisme Dat wat fysisch gesproken veel ingewikkelder is, wordt perceptueel gesproken waargenomen in een beperkt aantal kleurervaringen. De wetenschappelijke verklaring voor metamerisme heeft niets te maken met de buitenwereld, maar juist met het perceptueel apparaat van de waarnemer!

89 Even wat technische info… “In onze ogen hebben wij drie soorten ‘kegeltjes’ of receptoren die van elkaar onderscheiden worden door een specifieke spectrale gevoeligheid. Informatie over de golflengtesamenstelling van het licht dat op een oog valt, wordt achterhaald door de output (of signalen) van de drie soorten receptorcellen met elkaar te vergelijken.” - VvdT, blz. 65 De metamerische stimuli hebben gemeen dat ze de kegeltjes in precies dezelfde verhouding stimuleren.

90 Kleuren objectief? Volgens sommige filosofen is kleur geen kwestie van informatie uit de buitenwereld decoderen (info zit in buitenwereld en waarnemer haalt die eruit), maar een kwestie van informatie uit de buitenwereld encoderen (de waarnemer kleurt de ingewikkelde fysische info in). Kleuren bestaan niet in de buitenwereld = eliminativisme Wij decoderen niet, maar encoderen = projectivisme

91 Lokaal scepticisme Omdat de ervaring van kleur nu dus letterlijk en figuurlijk tussen onze oren zit, biedt deze theorie van metamerisme redenen om metafysisch scepticus t.a.v. kleur te zijn: Kleuren bestaan niet in de werkelijkheid Kunnen we die sceptische conclusie vermijden? Ja, we kunnen kleuren opvatten als secundaire kwaliteiten

92 Dispositionele opvatting De banaan is geel omdat hij de dispositionele eigenschap heeft om onder normale lichtcondities geel voor te komen. Als de banaan in de koelkast ligt, is hij niet geel, maar heeft hij nog steeds wel de dispositionele positie om geel voor te komen, mocht het juiste licht erop vallen.

93 Dispositionele opvatting Is een soort realisme: kleuren bestaan in de buitenwereld; namelijk als disposities om normale menselijke waarnemers gekleurd voor te kunnen komen onder bepaalde lichtcondities. Realisme met een ‘menselijk gelaat’ Is het mogelijk om deze dispositionele opvatting ook te gebruiken voor andere vormen van lokaal metafysisch scepticisme?

94 Even formaliseren De banaan is geel als en slechts als de banaan normale menselijke waarnemers geel voorkomt bij gewoon daglicht. x is R als en slechts als x in condities C bij subjecten S respons R voortbrengt.

95 Mooi en lelijk Ook over mooi en lelijk bestaat een lokaal metafysisch scepticisme. Was Mr. Nobody een mooie film? Waarom?

96 Objectief of subjectief? Het feit dat we naar objectieve eigenschappen verwijzen om onze esthetische waardering te onderbouwen, lijkt te suggereren dat waarden objectief zijn. Maar waarom zo’n objectieve eigenschap nou mooi of lelijk is, wordt niet beantwoordt. Dat lijkt te suggereren dat esthetische waardering toch weer subjectief is. Misschien zijn waarden dan – net als kleuren – ook respons-afhankelijke eigenschappen?

97 Weer even formaliseren x is R als en slechts als x in condities C bij subjecten S respons R voortbrengt. Een film is mooi als en slechts als subjecten S in conditie C de film mooi vinden. Levert respons-afhankelijkheid nu een criterium op voor esthetische waarden?

98 Film: Underground putlocker.html putlocker.html

99 Hoofdstuk 3 Weten we nog…? Gorgias van Leontini, een Grieks filosoof zei eens: “Niets bestaat, mocht er iets bestaan, dan kunnen we het niet kennen, en mochten we het wel kunnen kennen, dan kunnen we het niet mededelen.”

100 De mogelijkheid van kennis Belangrijkste dingen uit 3.1, zelf voorbereid: Verschil tussen epistemologisch scepticisme en metafysisch scepticisme? Wat is subjectief waarheidsrelativisme? Wat heeft het te maken met de dialectische opvatting van het pyrronistisch scepticisme?

101 3.2 Peirce en het fallibilisme Er is altijd een mogelijkheid tot vergissing Peirce: SO WHAT?! Wij mensen zijn nou eenmaal feilbaar (fallible) Maar dat betekent niet dat het hebben van kennis onmogelijk hoeft te zijn!

102 Levende twijfel? Aanval op Descartes Descartes’ twijfel is niet écht, is geen levende twijfel Twijfel is het tegendeel van overtuiging Is een psychologisch frustrerende toestand Je gaat juist op zoek naar een overtuiging En die zoektocht heet onderzoek Descartes’ twijfel is dit niet, en levert niets op

103 Manieren om van twijfel af te komen Beste manier: wetenschappelijke methode Leidt tot bestendige consensus Consensustheorie van de waarheid “Waar is de overtuiging waarover alle onderzoekers het eens zijn of zouden worden als ze het onderzoeksproces helemaal hebben doorgevoerd of zouden doorvoeren.”

104 Antwoord op het epistemologisch scepticisme in een notendop Het epistemologisch scepticisme stelt te harde eisen Zekerheidseis: iemand kan alleen iets weten als hij daar absoluut zeker van is Onfeilbaarheidseis: iemand kan alleen iets weten als hij zich onmogelijk kan vergissen Voor kennis hebben we noch zekerheid, noch onfeilbaarheid nodig; het zou altijd kunnen dat je overtuiging niet klopt, maar SO WHAT?

105 Lees alvast door Paragraaf 3.3 Sceptische paradoxen Stel voor jezelf alle relevante vragen die je hebt op, zodat je die kunt stellen als ze morgen niet aan de orde zijn geweest. Ik zorg voor geprinte powerpointslides!

106 3.3 Kennis en sceptische paradoxen De correspondentietheorie van de waarheid: 1)Overtuiging 2)Waar 3)Verantwoording In het boek wordt vooral van deze theorie uitgegaan

107 Waarom is verantwoording nodig? Ik denk dat de lotto-getallen 14, 15, 21, 27, 39 en 41 zijn (overtuiging) De lotto-getallen zijn 14, 15, 21, 27, 39 en 41 Had ik zekere kennis?

108 Verantwoording is nodig Er moet namelijk ook een goede reden zijn om de overtuiging te hebben dat de lotto-getallen 14, 15, 21, 27, 39 en 41 zijn! Bijv: je hebt de meneer die over de lotto-getallen gaat omgekocht en daarom weet je het al…

109 Gettier-problemen: Russells klok Stel: Joost kijkt precies om 12:00u naar de klok. Deze geeft aan dat het precies 12:00u is. Echter, deze klok staat al een week stil, precies om 12:00u. Joost gelooft toch, op basis van het kijken naar de klok, dat het 12:00u is. Heeft Joost nu kennis? Waarom?

110 Robert Nozick Niet de klassieke verantwoordingseis, maar de waarheidgevoeligheidseis! S weet dat p als en slechts als 1)S is overtuigd dat p 2)p is waar 3)Nozick: Mocht p niet het geval zijn, dan zou S ook niet overtuigd zijn dat p.

111 Sceptische alternatieven Je kunt niet weten dat ze niet het geval zijn! Alle sceptische paradoxen hebben dezelfde vorm: 1)S weet dat p 2)S weet niet dat niet q 3)Als S weet dat p, dan weet S dat niet q

112 BIV-voorbeeld 1)Ik weet dat ik handen heb 2)Ik weet niet dat ik geen BIV ben 3)Als ik weet dat ik handen heb, dan weet ik dat geen BIV ben Probleem voor Nozick: nummer 2. Ik weet niet dat ik geen BIV ben.

113 Oplossing van G.E. Moore Contextualisme  Filmpje Tilburg University https://videocollege.uvt.nl/Mediasite/Catalog/catalogs/s teenhor-studiemiddag-filosofie-scepticisme  Lees de primaire tekst van Moore op blz

114 3.4 Moore en het contextualisme Gezond verstand De aannames van de scepticus zijn veel minder redelijk en rationeel dan de aannames van het gezond verstand Basisargument van het scepticisme omgedraaid

115 BIV-paradox 1)Ik weet dat ik handen heb 2)Ik weet niet dat ik geen BIV ben 3)Als ik weet dat ik handen heb, dan weet ik dat ik geen BIV ben Scepticus: Ik weet dus niet dat ik handen heb. Moore: Ik weet dus dat ik geen BIV ben.

116 Probleem? Maar hoe weten we nou dat we handen hebben? Waarom is dat geloven rationeler dan geloven dat je een BIV bent? Moore geeft toe daar geen antwoord op te hebben

117 Contextualisme In sommige contexten klopt de redenering van de scepticus en in andere contexten klopt de redenering van Moore Huh?

118 Context als maatstaf Wesley Sneijder is groot Bijvoorbeeld als hij in China rondloopt Wesley Sneijder is klein Bijvoorbeeld op een voetbalveld tussen Europese spelers Zo werkt het ook met kennis!

119 Schilderij-voorbeeld a) Je vriend heeft een schilderij op een rommelmarkt gevonden en de nietsvermoedende verkoper vroeg er slechts 50 euro voor. b) Je vriend heeft je meegenomen naar een veiling en overweegt een ultiem bod te doen op een schilderij van maar liefst euro. In beide gevallen vraagt je vriend aan jou (kunstkenner) of je zeker weet of het schilderij écht (dus echt van een bepaalde schilder) is.

120 Antwoord a)Ja, ik weet het zeker! b)Ik weet het niet zeker. Het zou ook een hele goede vervalsing kunnen zijn waar mensen geld mee willen verdienen. Even tussendoor: wat voor gedachte-experiment is dit?

121 Context telt Het is dus volgens Moore de context die bepaalt of een sceptisch alternatief in beeld komt of niet In context a) werden er lage eisen gesteld aan ‘weten dat’, in context b) juist hele hoge

122 3.5 Austin en het relevantisme Alweer een filmpje Lees voor morgen de primaire tekst van Austin op blz van het boek

123 Gewone-taal-filosofie Taalgebruik zoals zich dat door de eeuwen heen heeft ontwikkeld, bevat een schat aan informatie over de buitenwereld, over onze binnenwereld en over de relatie tussen die twee. Daarom moet iedereen die een filosofisch probleem aan de orde wil stellen, in de eerste plaats uiterst aandachtig kijken naar wat wij erover zeggen in ons dagelijks taalgebruik.

124 Voorbeeld Wanneer is een handeling vrij of vrijwillig? Laten we dan eerst onderzoeken wanneer we in ons dagelijks taalgebruik zeggen dat iemand verontschuldigd is voor iets wat hij/zij heeft gedaan of nagelaten. Vrijwilligheid is dus de afwezigheid van dergelijke verontschuldigingen.

125 Wanneer weet iemand iets? “Ik weet dat dit een puttertje is.” “Weet je zeker dat het geen specht is?”  Relevante vraag “Ik weet dat dit een puttertje is.” “Hoe weet je dat het geen opgezet puttertje is? Hoe weet je dat het geen porseleinen beeldje is? Hoe weet je dat je dat puttertje niet droomt? Hoe weet je dat je geen BIV bent?”  Geen relevante vragen!

126 Uitsluiten sceptische alternatieven “Genoeg is genoeg: het betekent niet alles. Genoeg betekent genoeg om aan te tonen dat het (redelijkerwijs en in de voorliggende context) ‘niets anders kan zijn’ en dat er geen ruimte is voor een alternatieve, concurrerende beschrijving. Het betekent bijvoorbeeld niet genoeg om aan te tonen dat het geen opgezet puttertje is.” (Austin, 1961)  Maar wél genoeg om aan te tonen dat het geen specht is!

127 Weten dat Zo gebruiken we ‘weten dat’ in ons dagelijks taalgebruik Sommige sceptische alternatieven dienen uitgesloten te worden, en andere niet.

128 Relevantisten Latere filosofen zoals Robert Nozick en Fred Dretske die Austins theorie verder hebben uitgewerkt Je hoeft alleen maar een vergezocht en complex alternatief doemscenario aan te stippen, en zelfs de meest eenvoudige dingen worden twijfelachtig!

129 Even terug… 1)S weet dat p 2)S wet niet dat niet q 3)Als S weet dat p, dan weet S dat niet q Iedereen heeft tot nu toe vastgehouden aan premisse 3. Die is niet betwijfeld. Maar Nozick en Dretske stellen dat deze gewoonweg niet altijd relevant is.

130 Zebra-ezels

131 1)Saartje weet dat er achter de omheining zebra’s staan 2)Saartje weet niet dat er achter de omheining geen zwart-wit geverfde muilezels staan 3)Als Saartje weet dat er achter de omheining zebra’s staan, dan weet ze dat er achter de omheining geen zwart-wit geverfde muilezels staan Relevantist erkent 2 mogelijkheden: premisse 3 is ofwel relevant ofwel irrelevant. Is het relevant als je naar de Beekse Bergen gaat? En als je naar de Pakistaanse zoo gaat?

132 Relevantisten De context bepaalt de relevantie van een gegeven sceptisch alternatief. Als het sceptisch alternatief binnen de context relevant is, dan moeten we premisse 1) van onze sceptische paradox opgeven. Als het sceptisch alternatief binnen de context irrelevant is, dan moeten we premisse 3) ontkennen.

133 Lesuur 2 Bespreek de primaire tekst van Austin en maak de eindtermen Met alleen degenen die de tekst hebben gelezen! De rest gaat de tekst nu lezen.

134 3.6 Van binnenuit of van buitenaf? In dit hoofdstuk hebben we steeds van perspectief gewisseld Ware overtuigingen: iemand weet iets als en slechts als hij of zij ervan overtuigd is en het ook daadwerkelijk waar is (subjectief) Correspondentietheorie: iets is waar als en slechts als het in overeenstemming is met de feiten (objectief)

135 Binnenuit en buitenaf De overtuigingentheorie noemen we dus ‘van binnenuit’ De correspondentietheorie noemen we ‘van buitenaf’ Zijn deze theorieën nou onomstotelijk?

136 Problemen Verantwoordingseis  Gettier-problemen Waarheidsgevoeligheidseis  sceptische alternatieven kunnen niet worden uitgesloten Contextualisten zijn internalistisch  Zodra er veel op het spel staat of zodra de betrokken persoon zich rekenschap geeft van een sceptisch alternatief, is kennis onmogelijk geworden (schilderij-voorbeeld) Relevantisten zijn externalistisch  De mogelijkheid van kennis lijkt afhankelijk te worden van toevalstreffers; Saartje weet nou eenmaal wel of niet of een sceptisch altenatief relevant is of niet (zezels-voorbeeld)

137 3.7 Abductie Besproken: wat is kennis en is het überhaupt mogelijk om kennis te hebben? Nog niet besproken: hoe komen wij eigenlijk tot kennis? Hoe komen wij dingen te weten?  De motor achter onze kennis is abductie

138 3 denkstappen Deductie Inductie Abductie Elke denkstap van een ervaring of een aantal ervaringen naar een mogelijke verklaring voor die ervaring(en), is een abductieve denkstap. https://www.youtube.com/watch?v=7rVAKfMK-Hs

139 Voorbeelden Ik zit in de woonkamer en de bel gaat… Een scheidsrechter trekt een rode kaart voor een hele lichte overtreding… Archeoloog ontdekt brokstukken en concludeert…

140 Maar… Abductieve redeneringen gaan ook geregeld de mist in Wij hebben allemaal namelijk de neiging om conclusies te trekken, soms iets te voorbarig, die bevestigd te willen zien. De gevaren daarvan zijn groot!

141 2 vormen abductie Afleiding naar de beste verklaring Overgecodeerde abductie: er is zoveel informatie die een bepaalde kant op wijst, dat de hypothese die gevormd wordt praktisch gesproken niet de mist in kan gaan. Ondergecodeerde abductie: we hebben veel te weinig informatie en leiden toch een wilde, verklarende hypothese af. We wagen een gokje. Creatieve abductie De denkstap naar een weldoordachte, verantwoorde, maar moeilijk te achterhalen verklaring

142 Rear window Kijk thuis https://www.youtube.com/watch?v=X-9OHkRiryw Hoe wordt hier gebruik gemaakt van abductie?

143 4.1: Andere geesten en conceptueel scepticisme Weizenbaum ontwikkelt ELIZA: een computerprogramma waarmee proefpersonen communiceren. Ze denken dat dit een mens is, waardoor ze emotioneel betrokken raken. Probleem van ‘andere geesten’ Vergissing bij toeschrijving bewustzijn en bewustzijnsinhouden aan iets of iemand anders We interpreteren het gedrag van anderen in termen van bewustzijnsinhouden omdat we zo richting kunnen geven aan hoe we met ‘anderen’ communiceren. Als het interpretatieproces fout gaat, gaat het goed fout Proberen kloof te overbruggen tussen onze eigen bewustzijnsinhouden en de bewustzijnsinhouden

144 Probleem van ‘andere geesten’ We gaan er van uit dat er een buitenwereld bestaat waarin mensen rondlopen die een mentaal leven hebben dat lijkt op dat van ons Vragen stellen over binnenwereld/belevingswereld van anderen  nooit rechtstreeks toegang tot wat er in het bewustzijn van andere persoon bevindt (mentale toestanden/processen) Exclusief toegang tot eigen binnenwereld of belevingswereld “Zolang betrokkene geen minimum aan eigen ervaringen heeft waarop we kunnen voortbouwen en zolang we geen redenen hebben om te veronderstellen dat zijn of haar ervaringen voldoende vergelijkbaar zijn met de onze, zullen onze pogingen tevergeefs zijn.” (p. 108 VvdT)  bijv. aan iemand die vanaf zijn geboorte blind is uit te leggen wat ‘zien’ is

145 3 deelproblemen van het ‘andere geesten’ probleem Het metafysisch probleem Wat van alles wat zich buiten ons bevindt, heeft een bewustzijn en wat niet? Het epistemologisch probleem Kunnen we zeker weten dat anderen een bewustzijn hebben? Het conceptueel probleem Hoe kunnen we de begrippen die we hanteren om ons eigen mentaal leven te bevatten, ooit gebruiken om het mentaal leven van iemand anders te begrijpen?

146 Een stap verder In de vorige hoofdstukken ging het over het probleem dat we de buitenwereld nooit rechtstreeks lijken waar te nemen. Dit wordt ontkend door het direct realisme Maar.. Al kunnen we dingen wel direct waarnemen, kunnen we het bewustzijnsinhouden alleen maar ‘onrechtstreeks’ afleiden.

147 4.2 – Solipsisme en zelf

148 Solipsisme = er is in de hele wereld maar een bewustzijnsvorm. En die ben jij.  je bent in een klap van alle filosofische zorgen verlost want: (metafysisch) : je bent zeker dat jij het enige bewustzijn bent. (epistemologisch) : je kunt je niet vergissen in je eigen bewustzijnsinhouden. (conceptueel) : je hoeft je niet te verantwoorden aan anderen want die hebben geen bewustzijnsvorm. solus = alone ipse = zelf

149 Descartes De benadering van Descartes “ik denk dus ik besta” lijkt op het solipsisme. Kritiek: Descartes neemt het bestaan van zichzelf wel aan wat betekent dat hij niet alle opvattingen in twijfel heeft genomen. Descartes stelt dat de geest (res cogitans) zelfstandig is van het lichaam (res extensas), tegelijkertijd zegt hij ook dat het lichaam zelfstandig is van de geest. = cirkelredenering.

150 Kritiek De “ik” en “zelf” zijn intrinsiek solipsistisch = het is een bewustheidsvorm die geen uitgebreidheid heeft in de ruimte (hij heeft dus geen materie) en hij is overtuigd van zijn eigen bestaan als geest (res cogitans) en van zijn eigen bestaan alleen. MAAR, Descartes gelooft zo ook dat hij het bestaan van God en de buitenwereld kan ‘bewijzen’. Hier stopt de aanhang van het solipsisme.

151 Kritiek Descartes gaat uit van het solipsisme in de “ik denk dus ik besta”, maar hij gebruikt dezelfde manier om de buitenwereld en God te bewijzen. Dit kan niet als hij exclusief toegang heeft tot zijn eigen bewustzijnsinhouden = introspectie

152 Hume Hume gebruikt ook introspectie, maar dan op een andere manier. Descartes denkt dat ‘het zelf’ iets is wat één is wat je niet kunt aanraken. Hume denkt dat ‘het zelf’ een bundel is van continue veranderlijke dingen waar niets los staat.

153 4.3 Filosofische zombies en spectruminversie Je kunt er nooit zeker weten of ‘anderen’ alleen schijnbaar een mentaal leven hebben dat in grote lijnen te vergelijken is met dat van jou, terwijl ze in werkelijkheid helemaal geen binnenwereld of belevingswereld hebben > zombies/leeghoofden  Metafysisch probleem: mogelijk van bestaan  Epistemologisch probleem: bewijzen van die mogelijkheid

154 Bewijzen Alleen wanneer iets afwijkt, kun je ontdekken of het een robot/zombie is Robots menselijke taken geven  sensorische en motorische input nodig: Cognitie- en bewustzijnsfilosofie  mens en robot manipuleren beide representaties Maar..

155 Volgens functionalisme kunnen mentale toestanden volledig worden gekarakteriseerd in termen van de ‘functionele rol’ die ze spelen Functionele rol omvat: Sensorische input waaraan mentale toestanden ontspringen Motorische input waartoe ze leiden Manier waarop ze zich verhouden tot andere mentale toestanden  wijze waarop de mentale toestanden worden gerealiseerd, maakt niet uit Mens/marsmannetje/computersysteem: zolang hun interne toestanden dezelfde functionele rol spelen, blijven ook de mentale toestanden hetzelfde

156 Functionele rol Te vergelijken met schaakstuk: Of een stuk bijvoorbeeld een loper is, wordt niet bepaald door fysische vorm die het heeft, maar door de zetten die je met die loper mag doen

157 Functionalisten Mentale toestanden kunnen volledig bepaald worden zonder rekening te houden met hoe ze materieel worden gerealiseerd  artificiële systemen (kunstmatige) kunnen evengoed ‘mentale toestanden’ hebben, en dus een soort binnenwereld.

158 Twee soorten bewustzijn Alles wat te maken heeft met representaties en het manipuleren ervan  binnenwereld (ideeën) De pure, kwalitatieve beleving daarvan; de ervaring zelf  belevingswereld (impressies)

159 Fenomenaal bewustzijn Het is aan te nemen dat een robot een binnenwereld heeft, maar moeilijk om aan te nemen dat ze een belevingswereld hebben  robot kan registreren en verwerken maar voelt geen beleving Een robot heeft geen fenomenaal bewustzijn > kwalitatieve belevingsaspecten die uitmaken ‘hoe het is’ om een bepaalde ervaring te hebben

160 Filosofische zombies Dit zijn zombies die qua binnenwereld overeen komen met de mens, maar qua belevingswereld totaal verschillend Denk aan koffie: Jij proeft de koffie, de robot/zombie proeft niks. De robot/zombie zal niet dezelfde smaakervaring hebben. Jij beleeft je zintuiglijke ervaringen op een specifieke manier, maar bij je zombie-ganger valt er niets te beleven.

161 Belevingswereld loskoppelen van de binnenwereld? Sommige filosofen geloven dat ons bewustzijn niet afhankelijk is van ons brein en de rest van ons lichaam  dus losgekoppeld Maar… Als jouw zombie-tegenhanger werkelijk op precies dezelfde manier in elkaar zit als jij, dan zal hij ook previes dezelfde ervaringen hebben en die op dezelfde manier beleven  dus niet losgekoppeld

162 Descartes Volgens Descartes kun je deze twee wél loskoppelen: Res cogitans, de geest Res extensa, het lichaam Onderscheid is te zien bij cognitieve vaardigheden zoals wiskundig inzicht en taal vermogen Bij al het andere valt dit onderscheid niet te maken  wel dmv filosofische zombies

163 Probleem We kunnen niet uitsluiten dat het mentale leven van iemand anders er anders uitziet dan dat van jou. Gesloten Boek Herinneringen en emoties “Als datgene wat ik bitter noem, qua beleving een heel andere smaak is dan wat jij bitter noemt, terwijl er voor het overige geen enkel verschil is tussen ons(we blijven bijv. dezelfde groenten en bieren bitter noemen), dan zullen we een gesloten boek zijn voor elkaar zonder dat we ooit kunnen merken” VvdT blz. 118 Verschil in fenomenale aspecten zonder dat we verschillen qua representationele aspecten.

164 Spectruminversie Is jouw geel mijn geel? Of is zie ik alle kleuren precies het tegenovergestelde in de kleurencirkel? Kleine verschillen zouden we kunnen opmerken, spectruminversie ook? (Tinten) Door deze problemen is de relatie tussen gedrag en mentale toestand niet één-op-één. We kunnen ons makkelijk vergissen in wat we de ander toeschrijven.

165 4.4 Pseudoproblemen

166 Gesloten boek Is het wel mogelijk dat iemands mentale leven een volkomen gesloten boek is, dat iedereen voor iedereen een gesloten boek is? We hebben ook termen/psychologische begrippen waarmee we ons metaal leven kunnen beschrijven: Toont de communicatie hierover niet juist aan dat het gesloten boek onmogelijk is?

167 Tegenargument Het zou kunnen zijn dat we dezelfde termen gebruiken, maar dat het gevoel hierbij van binnen anders. (Is jouw rood mijn rood?) Bij deze beredenering ga je ervan uit dat we onze psychologische begrippen in een versterkte isolatie kunnen ontwikkelen. Ons eigen privé taaltje We ontwikkelen dit taaltje doordat we onze privé belevenissen abstraheren tot een algemeen begrip waarvan we aannemen dat anderen die kunnen ondergaan

168 Wittgenstein “Zo’n privé taaltje is ondenkbaar; het zou zijn werk als taal niet kunnen doen en zelfs onmogelijk als een taal kunnen worden (h)erkend.”

169 “Wittgenstein rejected the idea that language is somehow separate and corresponding to reality, and he argued that concepts do not need to be clearly defined to be meaningful. [..] The concept was intended ‘to bring into prominence the fact that the speaking of language is part of an activity or a s form of life’ which gives language its meaning.”

170 Psychologische begrippen: Erg belangrijk voor toepassing op andere mensen Gedachte-experimenten over zombies en spectruminversie zijn erg fasiscinerend: Zijn tegenhanger van ‘bewuste wezen’ Begrijpen we van meet af aan m.b.v. psychologische begrippen

171 Wittgenstein Filosofische zombies en spectruminversie als pseudoprobleem terzijde schuiven.

172 Continentale filosofie Filosofen uit Europa (exclusief Groot-Brittannië) Edmund Husserl Maurice Merleau-Ponty Jean-Paul Sartre Emmanuel Levinas

173 Edmund Husserl Intentionaliteit: onze bewustzijnsinhouden zijn altijd ergens op gericht. Je denkt altijd over een object. Er is altijd een relatie, ook als het alleen terug verwijst naar mijn eigen gedachtes. De buitenwereld wegdenken is dan ook niet mogelijk, want dan zou het denken geen inhoud kunnen hebben. Onze ervaring van de buitenwereld als objectieve werkelijkheid is mogelijk door de waarneming van andere personen.

174 Maurice Merleau-Ponty Geen onderscheid tussen lichaam en geest. Waarnemen van de ander is dan automatisch waarnemen van de ander als persoon met bewustzijn. Hij voegt daar wel aan toe dat je net zo onzeker bent over het bestaan van andere dan van het bestaan van jezelf.

175 Jean-Paul Sartre Volgens Sartre ontmoeten we de ander in de ervaring van het bekeken worden. Voorbeeld: schaamte Je schaamt je nooit alleen. Als je alleen zou zijn, zou je het gevoel ‘schaamte’ nooit kennen of begrijpen.

176 Emmanuel Levinas Egologie: de oude filosofische traditie die uitgaat van het ik als centraal startpunt. Hier is hij tegen. Je kan niet zomaar zeggen dat de ander opgeheven kan worden uit mijn eigen waarnemingen. Het anders-zijn van de Ander kan niet worden opgeheven. (Dit probeert Descartes wel bijvoorbeeld.)

177 Algemeen In het algemeen kunnen we stellen dat in de continentale filosofie de sociale gebondenheid en verankering van de mens worden benadrukt. Wij zijn niet alleen van anderen afhankelijk van ons concrete bestaan, maar ook voor ons zelfbegrip Oplossing van het ‘andere geesten’ probleem: Ons bewustzijn van ‘andere geesten’ ligt dus aan de basis van ons zelfbewustzijn en niet omgekeerd.

178 4.5 Directe of indirecte toegang? Directe toegang tot bewustzijnsinhouden van anderen? We kunnen niet in het hoofd van iemand anders kijken Mogelijkheid van zombies en spectruminversie Thomas Reid: wie zien meteen dat andere mensen bewustzijn hebben; dat is een van de vele vanzelfsprekendheden van het gezond verstand Cognitiewetenschap ondersteunt dit enigszins: basisemoties vallen van het gezicht af te lezen en er bestaat zoiets als ‘spiegelneuronen’

179 Indirecte toegang Een onoverkomelijk probleem? Als ik een ander een vinger op het fornuis zie leggen en hij trekt hem weg en roept ‘au!’, kan ik me wel voorstellen wat hij moet voelen  gebaseerd op inductie Inductie, maar wel alleen vanuit mijn eigen ervaringen! Is dit niet een te smalle basis? Moet inductie niet plaatsvinden met een representatief aantal gevallen?

180 4.6 Van solipsisme tot panpsychisme Solipsisme overwonnen in paragraaf 3 Ten koste van antropocentrisme Mentale toestanden worden ook aan andere dieren toegeschreven “De kat is ijdel”, “Die hond mist zijn baasje zo erg, dat hij steeds bij zijn graf blijft zitten”, “die papegaai vindt jou net zo’n loser als ik”

181 Functionalisme Model waarmee we mentale toestanden aan dieren toekennen Een mentale toestand wordt bepaald door zijn functionele rol, en niet door zijn concrete fysische realisatie Leidt dit tot ‘excessief liberalisme’? Alles wat een functionele organisatie heeft, heeft een bewustzijn? Dat lijkt toch te ver te gaan… Maar waar trekken we dan de grens?

182 Vergissingen Gebeuren bij andere dieren vaker dan bij de mens Bokito https://www.youtube.com/watch?v=RICvxpWSrAw

183 Hebben dieren opvattingen? Heeft een hond een notie (weliswaar in zijn eigen taal) van een bal? Of een stok? Wittgenstein: mensen en dieren delen geen concepten Davidson: dieren hebben geen opvattingen. Om opvattingen te hebben, dien je een notie te hebben van waarheid, en daarvoor moet je deel uitmaken van een taalgemeenschap. Hoe weten we nou of dieren geen deel uitmaken van een taalgemeenschap?

184 Hylemorfisme Alle vormen van leven identificeren met beustzijnsvormen “In een concrete substantie zijn materie en vorm onlosmakelijk verbonden, waarbij de vorm de materie organiseert en er structuur aan geeft. Bij levende wezens is de ‘ziel’ de vorm. Planten hebben een vegetatieve ziel en dieren een sensorische ziel, en de mens heeft een rationele ziel.”

185 Panpsychisme Tegenhanger van het solipsisme Aan alles, dus ook aan objecten, moet een bewustzijn en mentale toestanden toegeschreven worden. Elke manier om het mentale te begrijpen is noodzakelijkerwijs ook de manier waarop alles – dus ook levenloze objecten – begrepen dienen te worden. Elke theorie van het mentale is meteen een pantheorie; een theorie van alles.

186 4.7 Andere geesten op een rijtje Direct realisme lijkt vooral onverdedigbaar op het gebied van andermans bewustzijnsinhouden Hoe kunnen we die kloof ooit overbruggen?

187 Metafysisch probleem Wat heeft bewustzijn en wat niet? Cartesiaanse ‘cogito ergo sum’ is intrinsiek solipsistisch. Levinas noemt die veronderstelling ‘egologisch’ en schuift de problematiek terzijde, vanwege het ethisch appèl dat uitgaat van het gelaat van de Ander. Als we dit antropocentrisme loslaten, dreigen we te vervallen in een ‘excessief liberalisme’. Conclusie: er is geen oplossing voor het metafysisch probleem, alle opties blijven open staan.

188 Epistemologisch probleem Kunnen we zeker weten dat anderen bewustzijn hebben? Als er cognitieve mechanismen zijn die ons, zonder tussenstappen, toegang geven tot het bewustzijn en de mentale toestanden van anderen, dan hoeven we geen sceptici te zijn ten aanzien van ‘andere geesten’; we kunnen volstaan met fallibilisme.

189 Conceptueel probleem Hoe kunnen we begrippen (bijv. ‘pijn’) roepassen op anderen? Hoe kunnen we op basis van slechts onze eigen ervaringen inductie toepassen en veronderstellen dat anderen hetzelfde voelen? Wittgenstein stelt dat deze begrippen niet in isolatie tot stand komen, die krijgen pas betekenis in een taalgemeenschap.

190 No man is an island “De vraag naar ‘andere geesten’ kan pas geformuleerd worden in een sociale context, daan de hand van een begrippenkader dat men deelt met andere bewuste wezens, met personen die een vergelijkbare binnenwereld en belevingswereld hebben. Alleen wanneer de probleemstelling volledig wordt opengetrokken en er ook heel andere wezens in het vizier komen, zoals dieren en machines, lijken we nog af te moeten rekenen met metafysische, epistemologische en conceptuele vragen die samen een heuse sceptische problematiek vormen.”


Download ppt "Het voordeel van de twijfel Eindexamen filosofie 2015."

Verwante presentaties


Ads door Google