De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

Praktijkgericht onderzoek naar kansen en belangrijke stuurvariabelen voor natuurontwikkeling op gronden met een voormalig intensief landbouwgebruik Instituut.

Verwante presentaties


Presentatie over: "Praktijkgericht onderzoek naar kansen en belangrijke stuurvariabelen voor natuurontwikkeling op gronden met een voormalig intensief landbouwgebruik Instituut."— Transcript van de presentatie:

1 Praktijkgericht onderzoek naar kansen en belangrijke stuurvariabelen voor natuurontwikkeling op gronden met een voormalig intensief landbouwgebruik Instituut voor Bosbouw en Wildbeheer Instituut voor Natuurbehoud VLINA99 /02 Deel III: Kansen van spontane verbossing versus actieve bosaanplant Auteurs: Arne Verstraeten, Kris Vandekerkhove en Luc De Keersmaeker (IBW) 1. DOEL Bij een bosuitbreiding uitgaande van voormalige landbouwgrond wordt in de praktijk veel meer gekozen voor aanplanting dan voor spontane verbossing. De bedoeling van deze studie was een beter inzicht te krijgen in de verschillen tussen aanplantingen en spontane bossen onder vergelijkbare groeicondities (zie Figuur 1.1), en op basis daarvan te evalueren welk van beide de beste perspectieven biedt naar huidige en toekomstige natuurwaarde. 4. CONCLUSIE De onderzochte spontane bossen zijn qua huidige natuurwaarde minstens gelijkwaardig aan de onderzochte aanplantingen. Zowel qua structuur als soortensamenstelling zijn de verschillen na een tiental jaren vrij klein. Wij besluiten dat spontane verbossing beslist een aanbevelenswaardig alternatief is voor de traditionele aanplanting. REFERENTIES Bos & Groen, De Bosinventarisatie van het Vlaamse Gewest. Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. Departement Leefmilieu en Infrastructuur, AMINAL, Afd. Bos & Groen. 24p. Verstraeten A, Vandekerkhove K & De Keersmaeker L, Natuurontwikkeling op voormalige landbouwgronden. Deel III : kansen van spontane verbossing versus actieve bosaanplant. Eindverslag van project VLINA 99/ p. Figuur 1.1 Spontaan bos of aanplanting. Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen 3.5 Boom- en struiklaag Meestal wordt de boomlaag van spontane bossen gevormd door pioniersoorten: Berk (op de arme droge zandgronden) en Boswilg (op de rijkere leembodems). Op rijkere bodems kunnen meereisende boomsoorten als Boskers, Zomereik, Gewone es, Gewone esdoorn en Haagbeuk ook meteen voorkomen, al gebeurt dit eerder uitzonderlijk. De boomlaag bestaat dus uit inheemse boomsoorten. De struiklaag is zowel in jonge aanplantingen als spontane bossen zwak ontwikkeld en bestaat uit Meidoorn, Lijsterbes, Vlier en Gelderse roos. Dit zijn alle soorten waarvan de vruchten en zaden vrij frequent door vogels over grote afstand worden verspreid. 3.6 Kruidlaag De kruidlaag van zowel de aanplantingen als de spontane bossen bestaat bijna altijd uit een bonte mengeling van ruigtekruiden, akkeronkruiden en graslandsoorten, waarbij er vaak nog relicten van het vroegere landbouwgebruik aanwezig zijn. Na verloop van tijd duiken meer en meer bossoorten op. De spontane bossen zijn gemiddeld iets soortenrijker dan de aanplantingen (zie Figuur 3.2 en Tabel 2). Als aanvulling op het project werd een GIS-laag aangemaakt met alle gekende spontane bossen in Vlaanderen. Tot nu toe bevat die de gegevens over 105 spontane bossen. Samen vertegenwoordigen ze een oppervlakte van 372 ha, ofwel 0,25% van het totale Vlaamse bosareaal (ongeveer ha). 5. GIS-DATABANK ? OF 2. MATERIAAL EN METHODE In een literatuurstudie werden mogelijkheden en beperkingen bij spontane verjonging opgesomd. Deze werden getoetst aan de hand van een case-study. Er werden 8 terreinen geselecteerd waar een vergelijking mogelijk was tussen actieve bosaanplant en spontane bosontwikkeling (zie Tabel 1). De kruidlaag werd opgenomen in vierkante proefvlakken (8  8 m of 16×16 m). Aanwezigheid en bedekking van alle plantensoorten werd genoteerd. In totaal werden 32 proefvlakken geïnventariseerd. Voor de beschrijving van de bestandsstructuur werd de methodiek van de Bosinventarisatie van het Vlaamse Gewest gevolgd (Bos & Groen, 1998). Centraal in ieder proefvlak werden ook twee digitale foto’s genomen met een fish-eye-lens, wat toeliet de lichthoeveelheid op de bosbodem in te schatten. In ieder proefvlak werd ook een bodemstaal genomen, waarvan pH-CaCl 2, textuur en totaal gehalte aan N, P, Ca, C en plantopneembaar P werd bepaald. In de meeste gevallen vertoont de structuur van een spontaan bos weinig of geen verschil met die van een homogene aanplanting. Soms echter komt de spontane verjonging gefaseerd tot stand en ontstaat tijdelijk een afwisseling van open plekken en meer gesloten bos, wat een gevarieerder beeld oplevert. In bepaalde gevallen kan ook een graduele bezetting optreden vanuit de bosrand (zie Figuur 3.1.). 3. RESULTATEN Op alle onderzochte locaties verloopt de spontane bosontwikkeling van voormalig intensieve landbouwgronden zeer vlot. Alleen op alluviale bodems verliep het proces traag. 3.1 Succes van de verbossing 3.2 Belangrijkste stuurfactoren in het verbossingsproces Het succes van een spontane verbossing is sterk afhankelijk van de aanwezigheid van zaadbronnen in de directe nabijheid van het perceel. Ook textuur, vochtgehalte en voedselrijkdom en toevalsfactoren zijn van belang. 3.3 Stamtal In spontane bossen zijn dikwijls veel hogere stamtallen ( tot zaailingen per ha ) te vinden dan in aanplantingen (2.500 tot bomen per ha). 3.4 Ruimtelijke structuur van het bos Figuur 3.1 Graduele bezetting vanuit de bosrand (Ename). Figuur 3.2 : Aantal kruidachtige soorten in de 32 proefvlakken in spontane bossen (wit), aanplantingen (zwart) en referentiebossen (gearceerd). Linkerbalk: totale soortenrijkdom; rechterbalk: soorten van bossen, kapvlakten, bosranden en open plekken in bossen. Figuur 5.1 : Digitalisatie van de bossen in Arcview.


Download ppt "Praktijkgericht onderzoek naar kansen en belangrijke stuurvariabelen voor natuurontwikkeling op gronden met een voormalig intensief landbouwgebruik Instituut."

Verwante presentaties


Ads door Google