De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

Adequaat vaccineren Cursus t.b.v. certificaat ‘adequaat vaccineren’ Derk ter Braak, PTC+ 2014.

Verwante presentaties


Presentatie over: "Adequaat vaccineren Cursus t.b.v. certificaat ‘adequaat vaccineren’ Derk ter Braak, PTC+ 2014."— Transcript van de presentatie:

1 Adequaat vaccineren Cursus t.b.v. certificaat ‘adequaat vaccineren’ Derk ter Braak, PTC+ 2014

2 Indeling cursus  Achtergronden  Principes van infectie, afweer en vaccinatie  Wat kan er allemaal fout gaan  Terugkoppeling opdrachten en Verantwoord gebruik

3 Achtergronden  Inleiding: waarom een cursus vaccineren? Regels uit de wet: vaccineren is des dierenarts

4 Achtergronden  Is afgifte vaccins verantwoord? ja, mits: toediening gebeurt met voldoende kennis van/oog voor - gezondheid van de dieren - welzijn van de dieren - voedselveiligheid

5 Vraagje: Als ik aan alle voorwaarden heb voldaan mag ik vaccineren tegen A. Parvo en E. coli B. Streptococcen en Vlekziekte Wat is waar?

6 Achtergronden  Welke vaccins:  Influenza (griep)  Vlekziekte  Porcine reproductive and respiratory syndrome (Prrs/ abortus blauw)  Atrofische rhinitis (snuffelziekte)

7 Achtergronden  Welke vaccins (vervolg)  Escherichia coli (geboortediarree)  Clostridium perfringens (rode diarree)  Mycoplasma hyopneumoniae (biggengriep)  Actinobacillus pleuropneumoniae (App, eenzijdige longontsteking)  Parvovirus  Rotavirus

8 Achtergronden  Welke vaccins niet:  waar landelijk bestrijdingsprogramma voor geldt (bijv. Ziekte van Aujeszky), en  zogenaamde autovaccins/stalvaccins (streptococcen, staphylococcen)

9 Indeling cursus  Achtergronden  Principes van infectie, afweer en vaccinatie  Wat kan er allemaal fout gaan?  Terugkoppeling opdrachten en Verantwoord gebruik

10 Wat U vooraf moet weten:  Wat is een infectie?  Wat is afweer?  Wat is vaccinatie?

11 Wat is een infectie? 1.besmetting van een dier met ziektekiemen, gevolgd door 1.vermeerdering van deze kiemen 2.reactie/afweer van het dier

12 bekende ziektekiemen  Virussen: Parvo-virus, PRRS-virus (abortus blauw), circovirus (wegkwijnziekte), griepvirus, varkenspestvirus  Bacteriën: coli, vlekziekte bacterie, streptococcen, staphylococcen  Wormen: spoelwormen  protozoen: coccidiose

13 Wat kunnen de gevolgen zijn van een besmetting? 1. GEEN vermeerdering in dier: kiem wordt uitgescheiden/opgeruimd: dier is niet vatbaar voorbeeld: mazelen veroorzaakt bij mensen wel ziekte en bij varkens niet

14 Wat kunnen de gevolgen zijn van een besmetting? 2. WEL vermeerdering in dier: + afweer:Varken blijft gezond - afweer: Varken wordt ziekVarken gaat dood

15 Leidt besmetting tot ziekte? Hoeveelheid afweer Hoeveelheid kiemen

16 Wat gebeurt er bij een besmetting?  Kiem verandert cellen van het lichaam met als gevolg - vernietiging van cellen of - ontregeling van bepaalde processen dit leidt tot ziekteverschijnselen

17 Hoe snel treden verschijnselen op?  Afhankelijk van  Plaats van vermenigvuldiging  Snelheid van vermenigvuldiging  Duur tot optreden ziekteverschijnselen = incubatietijd

18 Hoe duidelijk treden verschijnselen op?  Afhankelijk van  Aard van de aandoening  Type varken  Leeftijd  Voedingsstoestand  Klimaat  Stress, enz

19 Soorten verschijnselen  Bij plaatselijke infecties treden verschijnselen op die horen bij de plaats van aantasting, zoals bij smeerpokken

20 Soorten verschijnselen  Bij algemene/gegeneraliseerde infecties dringt de kiem verder het lichaam in door diverse lagen heen: 1. Kiem op huid/slijmlaag van mond, neus, darmen dringt er door heen

21 Algemene infectie:  2. komt in afvoerend vocht van huid/slijmlaag (lymfe) 3. kiem komt in bloed (en via bloed in andere organen)

22 Wat is een infectie?  besmetting van een dier met ziektekiemen, gevolgd door  vermeerdering van deze kiemen  reactie/afweer van het dier

23 Wat is afweer?  Afweer: resultaat van alle verdedigingssystemen van het dier

24 Verdedigingslinies  A- specifieke linie, bestaande uit 2 delen  Specifieke linie, bestaande uit 2 delen

25 A-specifieke linie (1e deel) Alle drempels die het lichaam biedt: huid, slijmvlies, maagzuur, trilharen in luchtwegen

26 Waar zitten de trilharen?

27 1e verdedigingslinie longen trilharen

28 Hoe werken trilharen? De haartjes maken een slagbeweging waarmee ze (stof) deeltjes kunnen verwijderen

29 A- specifieke linie (2e deel) Algemene verdedigingslinie die bestaat uit cellen: - die kiemen kunnen vernietigen, - die kiemen kunnen binden en deze naar elders vervoeren waar ze vernietigd worden

30 Specifieke linie (2 delen) 1. Specifieke cellen die leiden tot vorming van antilichamen (AL) of antistoffen (de zgn. Humorale afweer) 2. Specifieke cellen die leiden tot afbraak van cellen waar kiemen in/aan zitten (de zgn. Celgebonden afweer)

31 Wat wordt met specifiek bedoeld?  specifiek afweer tegen specifieke antigenen  wat zijn antigenen?  Onderdelen van de kiem die in staat zijn om specifieke stoffen aan te laten maken: de antilichamen of antistoffen

32 Vraagje: De afweer tegen ziektekiemen (immuniteit) berust op: A. de aanwezigheid van antistoffen B. de aanwezigheid van afweercellen C. zowel A. als B. is juist Wat is waar?

33 Overzicht afweer Aspec. afweerspec. afweer urendagen

34 Opbouw antilichamen:  Kiem die in aanraking komt met specifieke afweer kan cellen aanzetten tot antilichaamproductie.

35 Opbouw antilichamen:  Kiem die in aanraking komt met specifieke afweer kan cellen aanzetten tot antilichaamproductie.

36 Opbouw antilichamen:  Eerste kennismaking leidt tot kleine toename in antilichamen  Tweede kennismaking met dezelfde kiem leidt tot grote toename in antilichamen (booster)

37 1e en 2e kennismaking Aantal anti- lichamen (tijd in dagen) 1e contact 2e contact

38 Wat doen antilichamen dan?

39 Vraagje: A.Tegen iedere kiem die het varken binnenkomt worden antistoffen gemaakt B.Antistoffen kunnen beschouwd worden als een soort ‘gevechtseenheden met speciale missie’ C.elke big wordt met genoeg antistoffen geboren Wat is waar?

40 Conclusies  Afweer is nodig om te kunnen overleven  Afweer wordt voor elke soort kiemen apart opgebouwd.  Afweer is een leerproces.

41 Wat U vooraf moet weten:  Wat is een infectie?  Wat is afweer?  Wat is vaccinatie?

42 Vaccineren  Vaccineren = het nabootsen van een infectie zonder dat het dier daar klinische verschijnselen van krijgt en met opbouw van een ‘geheugen’

43 Vraagje: A. Vaccineren is de manier om ziektevrij te worden B. In tegenstelling tot antibiotica leiden vaccins nooit tot bijwerkingen. C. De manier waarop vaccins bereid worden varieert van vaccin tot vaccin Wat is waar?

44 Wat is het doel van vaccineren?  Ziekte (klinische verschijnselen) voorkomen, bijv. e. coli  Ziekte deels voorkomen, waardoor groei beter blijft, bijv. Mycoplasma

45 Wat is het doel van vaccineren? (vervolg)  besmetting van biggen in de baarmoeder voorkomen, bijv. Parvo  Uitscheiding kiemen verminderen en zo de kiem uit varkensstapel weren - ziekte van Aujeszky

46 Hoe doe je dat?  Bij voorkeur: Door de entstof te brengen op de plaats waar hij werkzaam moet zijn.  Vaccins toedienen via  Neus  Voer  Injectie (nek)

47 Soorten vaccins  ‘levende’ vaccins  ‘dode’ vaccins  ‘subunit’ vaccins  ‘toxoid’ vaccins

48 Bekendste voorbeeld: PRRS (Abortus blauw) ‘levende’ vaccins  Productie: Zwakkere varianten van de kiem met eenzelfde afweeropwekkend vermogen hebben zich op cellen in een laboratorium vermenigvuldigd

49 ‘levende’ vaccins  Bootst de natuur het beste na  Wekt zeer goede immuniteit op  Goedkoop en efficiënt  Verzwakte kiem is niet stabiel  Cellen schoon?  Kort tevoren aanmaken - +

50 voorbeelden: Parvo, Influenza (griep), vlekziekte, Mycoplasma E. coli, PRRS ‘dode’ vaccins  groei van kiemen op cellen in labortorium, daarna afdoden kiem

51 ‘dode’ vaccins  Veiliger  Duurder  Minder efficiënt (hulpstoffen nodig) +-

52 Bekendste voorbeeld: e. coli ‘Subunit’ vaccins  stukje belangrijke informatie uit de kiem dat de afweer stimuleert is geisoleerd en vermenigvuldigd

53 +- ‘Subunit’ vaccins  Veiliger  Goedkoper  Efficiënter  meer techniek nodig voor ontwikkeling  niet alle afweerstimulerende deeltjes in vaccin

54 ‘toxoid’ vaccins  gifstof uit kiem gehaald en tot vaccin opgewerkt Bekendste voorbeelden: snuffelziekte, APP (eenzijdige longontsteking), e.coli

55 ‘toxoid’ vaccins  Veel van ziekteverwekkende stof in vaccin  Bijwerkingen, er wordt gifstof ingespoten + -

56 Hulpstoffen voor ‘dode’ vaccins  Hulpstof (adjuvans) zorgt voor een betere afweer van het dier door 1. de kiem beter aan afweercellen aan te bieden 2. de gastheer te helpen bij de opbouw van de afweer

57 Effect adjuvans op hoeveelheid antilichamen met adjuvans zonder adjuvans Aantal anti- lichamen (tijd in dagen)

58 Vraagje: A. Levende vaccins zijn altijd beter dan dode vaccins maar i.v.m. export niet toegelaten B. de meeste vaccins moeten in de spier gespoten worden C. Subunit vaccins zijn voorbeelden van levende vaccins Wat is waar?

59 Vraagje: A. Een zware beer krijgt net zoveel entstof als een jonge gelt B. Als ik teveel vaccin opgezogen heb, spuit ik dat in de gootsteen weg C. Als ik mezelf gevaccineerd heb maak ik alleen de wond schoon. Als varkens- houder loop ik niet zo snel iets op. Wat is waar?

60 Indeling cursus  Achtergronden  Principes van infectie, afweer en vaccinatie  Wat kan er allemaal fout gaan  Terugkoppeling opdrachten en Verantwoord gebruik

61 Indeling cursus  Achtergronden  Principes van infectie, afweer en vaccinatie  Wat kan er allemaal fout gaan  Terugkoppeling opdrachten en Verantwoord gebruik

62 Wat kan er zoal fout gaan?  U heeft Uzelf gevaccineerd  Varken vertoont allergische reactie  Wijze van toedienen  Hoeveelheid toegediend vaccin  Moment van toedienen van vaccin  1 maal of vaker toedienen

63 Wat kan er zoal fout gaan?  Tijd tussen 2 toedieningen  Gebruik kromme/botte/vieze naalden  Verontreiniging vaccins  Mengen van 2 vaccins in 1 spuit  verkeerde dier(en) geënt  kwaliteit vaccin?

64 ‘Vaccinatie’ mens  Effect van antigeen op mens  Effect van adjuvans op mens  Effect van injectie op mens

65 Varken vertoont allergische reactie  Rode vlekken, rillen, hijgen, neervallen  varken is overgevoelig voor gebruikte (oplos)middelen in vaccin  behandeling: rust, evt apart leggen  NB: wervels geraakt: ook dit beeld!

66 Wijze van toedienen  Aanmaken (indien nodig) net voor toediening  schone naald op spuit zetten  zoveel als nodig in spuit doen  plaats zorgvuldig bepalen  meeste vaccins moeten in spier gespoten worden

67 Wijze van toedienen

68 GOED FOUT

69 Wijze van toedienen FOUT Goede injectie heeft inktvlek veroorzaakt

70 Wijze van toedienen  Lengte van de naald 1,5 inch (3.8 cm) zeugen 1 inch (2.5 cm) vleesvarkens 5/8 inch (1.6 cm) biggen

71 Hoeveelheid toegediend vaccin  Meestal: 2 ml  tekst volgen van bijsluiter  hoeveelheid is NIET afhankelijk van gewicht van het varken

72 Moment van vaccinatie  Vuistregels: 1.stel samen met dierenarts schema op 2.vaccineer minimaal 2-3 weken voordat varken bescherming nodig heeft 3.vaccineren in late dracht leidt tot veel antilichamen in biest en biedt bescherming aan biggen in kraamstal

73 1 of 2 x vaccineren? Aantal anti- lichamen (tijd in dagen) 1e contact 2e contact

74 Gebruikte naalden  kromme punten veroorzaken weefselschade  Welzijn wordt geschaad

75 Gebruikte naalden  vieze naalden kunnen ontstekingen veroorzaken (spuitabces)

76 Verontreiniging vaccins  Gebruik schone naald bij vullen spuit  Vul de injectiespuit niet verder dan nodig  Denk eraan: vaccin is geen kiemdodend middel!  Flesje waar met gebruikte naald in geprikt is moet meteen weggegooid worden

77 Mengen van 2 vaccins in 1 spuit  Indien geregistreerd: geen probleem  Indien NIET geregistreerd: NIET combineren! Reden: adjuvans van het ene vaccin kan de kiem van het andere vaccin afbreken!

78 Verkeerde dier(en)  Zieke dieren NOOIT enten zonder overleg met dierenarts  niet ‘experimenteren’ met andere leeftijdsgroep  Fabrikant garandeert werking alleen als bijsluiter gevolgd is

79 Kan het ook aan het varken liggen?  Ja !  dier met verminderde afweer  aangeboren  door toediening antibiotica of corticosteroiden  door aanwezigheid van ziekte- kiemen die afweer dier verminderen  bij dracht en lactatie  door stress

80 Kwaliteit vaccin  samenstelling wordt gegarandeerd door fabrikant (bij geregistreerd produkt) mits: GEBRUIK VOLGENS BIJSLUITER

81 Kan het ook aan het varken liggen (2)?  dier in incubatiefase  jong dier met nog afweer van zeug

82 Moment van vaccinatie Aantal AL Leeftijd beschermd Niet beschermd Maternale immuniteit Immuniteit door vaccinatie

83 Verantwoordelijkheden  Afgebroken naalden  Afvoer aangebroken flesjes  Opvolgen wachttijden  Opslag  Melden ongewenste bijwerkingen

84 Verantwoordelijkheden  kromme naalden rechtbuigen afgebroken naalden Zwak punt

85 Verantwoordelijkheden  afvoer aangebroken flesjes  wachttijden (indien aanwezig)

86 Verantwoorde opslag  Volgens aanwijzing verpakking/bijsluiter  Juiste temperatuur  in het donker  alleen schone naald in fles steken  naald uit fles halen!

87 Dus niet zo!

88 verantwoordelijkheden  Verantwoordelijkheid leidt tot verplichtingen  meldt als er iets fout gaat met mens en dier aan uw dierenarts of bij bureau bijwerkingen:

89

90

91

92

93

94

95

96

97

98 Veel succes !

99

100 Praktijkervaringen ? Meerdere vaccins op 1 dag toedienen? Vlekziekte: 2 x niet genoeg Goede adjuvantia: andere schema's bv parvo-vlekz-coli Groepvaccinatie en dekkingsgraad Drinkwatervaccinatie en ijzergehalte Algemene stimulator bv IBR neusenting Aujeszky:vroeger levend: zieke zeugen en abortus – Dood: koortsreacties – Markervaccins gE negatief – Nationaal bestrijdingsprogramma's / wettelijke regelingen AL functies: complement fixatie en activatie / neutralisatie / agglutinatie


Download ppt "Adequaat vaccineren Cursus t.b.v. certificaat ‘adequaat vaccineren’ Derk ter Braak, PTC+ 2014."

Verwante presentaties


Ads door Google