De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

Avoir (= hebben) vervoegingvertaling j’aiik heb tu asjij hebt il/elle/on ahij/zij/men heeft nous avonswij hebben vous avezjullie hebben/u heeft ils/elles.

Verwante presentaties


Presentatie over: "Avoir (= hebben) vervoegingvertaling j’aiik heb tu asjij hebt il/elle/on ahij/zij/men heeft nous avonswij hebben vous avezjullie hebben/u heeft ils/elles."— Transcript van de presentatie:

1 avoir (= hebben) vervoegingvertaling j’aiik heb tu asjij hebt il/elle/on ahij/zij/men heeft nous avonswij hebben vous avezjullie hebben/u heeft ils/elles ontzij hebben

2 voorbeelden J’ai une soeur.Ik heb een zus. Tu as deux frères. Jij hebt twee broers. Il/elle/on a un sac. Hij/zij/men heeft een tas Nous avons une voiture.Wij hebben een auto. Vous avez un garage.Jullie hebben een garage. Ils/elles ont trois enfants.Zij hebben drie kinderen.

3 Let op! Avoir gebruik je ook om te zeggen hoe oud je bent. J’ai douze ans.Ik ben twaalf jaar. Elle a quatorze ans.Zij is veertien jaar.


Download ppt "Avoir (= hebben) vervoegingvertaling j’aiik heb tu asjij hebt il/elle/on ahij/zij/men heeft nous avonswij hebben vous avezjullie hebben/u heeft ils/elles."

Verwante presentaties


Ads door Google